Muziek en preek

18 september 2016
Protestantse Gemeente Westerkerk, Terschelling

 Voorganger en organist: Aart C. Veldhuizen uit Sneek.

Welkom in de Westerkerk.
Vandaag ben ik zowel de dominee als de organist. Als organist begin en eindig ik de kerkdienst boven achter het orgel. Als dominee kom ik voor de lezing en de preek naar beneden.
Muziek en tekst hebben veel met elkaar te maken. De meeste orgelmuziek is helemaal niet geschreven voor orgelconcerten, maar gewoon voor gebruik in de kerkdienst. Als dominee en (amateur)organist heb ik ervaren dat het verrijkend is om af en toe elementen van de kerkdienst te verbinden met werken uit de muziekliteratuur. Want muziek voegt iets toe. Muziek kan onder woorden brengen waar geen woorden voor zijn.
Vandaag geldt dat vooral voor het vreemde stuk dat ik na de preek zal spelen: Le banquet Céleste (het hemels banket, het hemelse bruiloftsmaal). De Franse componist Olivier Messiaen componeerde het in 1928 bij de Bijbeltekst waar de preek over gaat (Joh.6:56) en speelde het tijdens het delen van brood en wijn. Hij zet daarin het één worden van God en mens in klanken om. De vrij onbekende en prachtige orgelbewerking van het lied “Von Gott woll ich nicht lassen” van Johann Seb. Bach dat ik tijdens de collecte speel, vertelt van de goede zorg van onze God. De melodie wordt op het pedaal op een hoog register gespeeld. De kerkdienst begint en eindigt met delen uit de bekende tweede orgelsonate van Felix Mendelssohn. Een goede dienst gewenst! 

De kerkenraad komt binnen.

Mededelingen

Orgelspel: Felix Mendelssohn (1809 – 1847), Sonate II: Grave, Adagio

Zingen: Psalm 84 vers 1, 2 en 6.

Zingen: Lied 291c als bemoediging en drempelgebed.
I – gezongen door voorganger van achter het orgel
II – door gemeente

Zingen: bij wijze van gebed om ontferming Lied 1008.

Zingen: aansluitend bij wijze van Gloria Lied 871.

Stilte – de organist verplaatst zich naar het liturgisch centrum en wordt de voorganger.

Groet

Lezing: Johannes 6:41-56

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

“Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik in hem” (Joh.6:56)
Als Protestant heb ik altijd wat moeite met deze tekst. Misschien moet je daar toch Katholiek voor zijn en ergens doordrongen van de gedachte dat bij de eucharistie, zoals in katholieke kring het avondmaal wordt genoemd, brood en wijn daadwerkelijk veranderen in lichaam en bloed van Jezus. Want ja, als je dan daarvan eet, dan is dat een uiterst mystiek gebeuren.
Mijn vlees, zegt Jezus. Vlees is vergankelijk. En het is daarom dat ook de mensen tot wie Jezus hier spreekt de woorden van Jezus zo vreemd vinden: vlees is aan bederf onderhavig.
En dan bloed. Bloed vloeit waar geweld wordt gebruikt. Als Jezus spreekt over zijn vlees en bloed refereert hij daar dus ook aan. Het klink in elk geval mee, dat er bloed vergoten gaat worden, in zijn vlees gesneden.
Bloed mocht men trouwens helemaal niet drinken en daarom mocht men bijvoorbeeld ook geen bloedworst eten, want men dacht dat in het bloed de bron van het leven zat. Alleen God had daar zeggenschap over, zo dacht men. Daarom was het niet alleen verboden om bloed te vergieten maar ook om het te eten of drinken. Bloed vloeide wel bij offers. Dat is logisch. Omdat alleen God zeggenschap had over het bloed, kon ook alleen God het tot zich nemen.
Uiterst vreemd zullen deze woorden van Jezus dus in de oren van de hoorders van toen geklonken hebben. “Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik in hem”.
Voor ons is het ondertussen wat vertrouwdere taal. In de traditionele christelijke leer wordt het bloed en het vlees van Jezus gezien als een offer dat gebracht is. Omdat Jezus gestorven is, is God niet langer boos op ons, zo wordt er dan gezegd. Jezus heeft immers de straf gedragen? Zijn vlees en bloed heeft hij immers gegeven?
Ook met die gedachte heb ik het als modern mens moeilijk. Moet God op andere gedachten worden gebracht, nu Jezus gestorven is? Niet alleen ik, maar gedurende de hele kerkgeschiedenis is hier mee geworsteld. En gedurende alle eeuwen is het telkens ook op een andere manier uitgelegd, dat het niet zo is dat God verandert na de kruisdood van Jezus, dat God nu niet langer boos op ons is omdat Jezus sterft in onze plaats, maar dat het kruis van Jezus ons laat zien hoe ver die liefde gaat. In de uitleg die mij het meest aan het hart ligt is het dus niet God die moet veranderen na de kruisdood van Jezus, maar wij. Wij moeten in het spoor van Jezus veranderen, door zelf ook in liefde met elkaar om te gaan.

“Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik in hem”
Nee, ik ben geen orthodox katholiek, die er van uitgaat dat het brood en wijn daadwerkelijk lichaam en bloed van Jezus worden. En ik voel me ook geen orthodox Protestant en aarzel om er op te hameren dat Jezus Gods toorn heeft weggedragen. En toch…. dat Christus in mij blijft, en ik in hem, daar verlang ik naar. In Christus zijn, noemt Paulus dat. Alsof je dan het eeuwig goddelijke blijvend in je hebt.
De Franse componist Olivier Messiaen, waarvan ik zo dadelijk wat ga spelen, legt dat als volgt uit. Hij zegt:
“Menselijke liefde is een soort van gemeenschap. De hoogste vorm van deze gemeenschap als menselijke liefde is het moederschap. De verbinding tussen moeder en kind is het hoogtepunt van de gemeenschap tussen mensen. Toch is er nog iets hogers: namelijk de gemeenschap van de Katholiek die in de Kerk de hostie ontvangt. Als je de hostie ontvangt, ontvang je Christus, is Christus in ons en wij zijn in hem. Hij komt over ons, we worden door hem verteerd en de gemeenschap met hem is volkomen. Slechts iets daarvan is te zien in wat er tussen moeder en kind gebeurt.”
Het klinkt allemaal wel erg zweverig en Katholiek. Ben ik daar te aards en te Protestant voor? Of moeten we het gewoon zeggen in onze taal: door samen te eten, brood en wijn te delen, verbindt Jezus zich met hen die brood en wijn ontvangen. Door Hem leven wij. Als wij het brood breken en de beker rond laten gaan, worden we daarin bevestigd. Door Hem leven wij.

Hoe is dat?
Ik moet denken aan Sebastien de Fooz. U kent hem vast niet. Sebastien de Fooz is 30 jaar als hij in Gent woont waar hij een baan heeft in de journalistiek. Op enig moment komt het allemaal op hem af: het bureau waarachter hij zit en de eentonigheid van het bestaan. In een opwelling loopt hij naar zijn chef en zegt: “Ik ga wat anders doen”. Hij vertrekt. Te voet. Naar Jeruzalem. Van de Belgische televisie krijgt hij een zware camera mee om opnames te maken onderweg. Kleine documentaires. In zijn rugzak zitten verder nog een paar kleinigheden. Van zijn moeder pakt hij een bezemsteel mee. Die bezemsteel bepaalt het ritme van zijn stappen. Verderop zal hij er hordes wilde honden van zich af houden. En hij neemt € 50,- mee voor noodgevallen. Meer niet. Hij gaat als pelgrim, laat zich uitzenden uit de kerk, reist via kloosters en pastorieën. Vrijwel altijd heet men hem welkom.
In Keulen aangebroken komt het moment dat hij bij wijze van noodgeval zijn € 50,- moet aanspreken. Hij komt namelijk een vroegere vriendin tegen en dat is blijkbaar zo’n noodsituatie: hij vindt dat hij haar moet trakteren op een etentje. Daarmee is zijn geld op en moet hij nog 5500 km. In het fascinerende boek “Te voet naar Jeruzalem – een solotocht van 184 dagen” (uitgeverij Lannoo, 2006) kun je lezen hoe zijn reis verder verloopt. Zijn boek vertelt van zijn spannende belevenissen die ik u bespaar. Wat bijzonderder is, is dat hij voortdurend beschrijft over zijn omgang met God. Hij ervaart iets van die eenwording als hij door mensen gastvrij wordt ontvangen, als hij beseft dat hij gedragen wordt.
Dat is natuurlijk wel een extreem voorbeeld.Maar het komt ook onder gewone stervelingen voor als u en ik. Dat je opeens beseft dat je niet alleen op de wereld bent, dat je je verwondert over alles wat je toevalt. Inderdaad zoals de aloude Heidelberger Catechismus zegt: “Als uit Gods vaderlijke hand”.
Het ligt op het terrein van het ervaren: in kloosters, musea, bij een mooi boek of goed gesprek, in kerkdiensten met verstilling, vieringen, pelgrimeren wellicht. Om er iets van te ervaren, moet je je telkens weer laten voeden, door in de kerk te komen, een klooster te bezoeken, de stilte op zoeken, in de natuur te lopen.
Zo dadelijk speel ik Le Banquet Celeste. Het is een heel apart orgelwerk. Het is gecomponeerd door de zeer gelovige Olivier Messiaen, waarvan ik daarnet een citaat liet horen, die in de 20e eeuw leefde. Als hij in 1975 in Amsterdam de Erasmusprijs krijgt uitgereikt, zegt hij: “Wat ik geloof? Dat is snel gezegd en daar is ook alles in één klap mee gezegd: Ik geloof in God.” Elders zegt hij: “Ik ben in de eerste plaats een katholiek musicus. Al mijn werken, zowel de godsdienstige als de andere, zijn geloofsdaden en verheerlijken het mysterie van Christus.”
Hij leefde dicht bij de natuur en dicht bij God. Later gaat hij de natuur in om vogelgeluiden op te nemen en die in zijn muziekwerken een plek te geven, maar in het werk dat ik zo ga spelen is daar nog geen sprake van. In de muziek was hij een grote vernieuwer die heel eigen toonladders ontwierp en gebruikte. Daardoor klinkt het werk dat ik zo ga spelen heel apart, heel vreemd.
Stel je maar voor dat je in een grote kathedraal zit en dat je naar voren komt. De HEER heeft je geroepen. Daar staat Jezus met brood en wijn. Je komt naar voren, met je handen opgehouden. En terwijl de muziek zachte akkoorden in de ruimte legt, buigt de HEER zich over je heen. “Omdat God je lief heeft” zegt Hij, en Hij legt je brood in de hand en een slok van de beker. Je hoort enorm trage klanken die zich heel langzaam lijken te verplaatsen, traag als de trouw van God die er altijd is, als de grond onder je bestaan. En dan komt gaandeweg op een hoog register in het pedaal een soort melodie op. Een wat vreemde melodie, bestaande uit eigenlijk alleen maar hele kortdurende noten die even in de ruimte worden gezet. Als bloeddruppels vallen ze neer. Tekenen dat God niet hoog en droog in de hemel blijft zitten, maar afdaalt tot bij jou. Tot in jou.
Zo geeft Olivier Messiaen klank aan die mysterieuze woorden uit het Johannesevangelie: “Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik in hem”. Met zijn muziek roept Messiaen ons op om naar voren te komen en aan te schuiven aan het mysterie van het hemelse banket. Opdat we mogen weten dat we met God verbonden zijn. En Hij met ons.

Zo mag het zijn.

Stilte – de voorganger verplaatst zich naar het orgel en wordt organist.

Orgelspel: Olivier Messiaen (1908-1992), Le Banquet Céleste.

Zingen Lied 653 vers 1, 2 en 7.

De ouderling van dienst spreekt het gebed uit:

Laat ons bidden:
Eeuwige God, voor wat wij ontvangen danken wij U, voor wat ons dagelijks toevalt, verwondert, ontroert.
Voor dagelijks brood en voor brood uit de hemel, voor de drank op de tafel en de wijn van het koninkrijk. Voor allen die het allernoodzakelijkste missen, bidden wij:
Zingen: Lied 367e.

Voor boodschappers als Messiaen en Bach en vele anderen danken wij, voor hen die hun muziek verklanken kunnen, en voor al dat andere moois dat ons wil richten op U in de natuur, in de muziek, de film, de beeldende kunst, het toneel.
Voor ons geloof bidden wij, als veel zekerheden zijn weggevallen, als we meer dan ooit ook in ons geloof niet meer alles zomaar klakkeloos aannemen, maar daar zelf mee bezig zijn, zo bidden wij:
Zingen: Lied 367e.

Voor de rust van dit uur danken wij, voor de stilte waarin we op adem kunnen komen en hier voor even kunnen versmelten met onszelf en met U.
Voor de komende week bidden wij, als we op onze post zijn, waar dan ook in beslag genomen door van alles en nog wat. Geef dat wij niet vergeten waar van vandaan komen, dat we in U zijn en U in ons. Daarom bidden wij:
Zingen: Lied 367e.

Voor onze zieken bidden wij. Voor hen die niet meer weten hoe het verder moet, dicht bij hier in onze eigen kring en ver weg op plekken waar vreselijke dingen gebeuren. Geef hen mensen op hun pad en help ons zulke mensen te zijn, mensen die wellicht zonder het te weten iets laten zien van Uw Koninkrijk dat komt. Zo bidden wij:
Zingen: Lied 367e.

Hoor ons in de stilte, waarin wij tot U zeggen wat we alleen zelf kunnen doen.
(stilte)
In de Naam van Jezus, uw zoon, onze Heer, die ons heeft leren bidden:
Onze Vader, die in de hemelen zijt……

Collecte onder orgelspel:

Johann Seb. Bach (1685-1750), Von Gott will ich nicht lassen, BWV 658.

We zingen elkaar staande de zegen toe met Lied 423.

Orgelspel:       Felix Mendelssohn, Sonate II: Fuga