Tweede advent 2008 – 7 december. Grote of Martinikerk Sneek.

Lezing: Filippenzen 1:12-26.

Gezongen werd: Psalm 80, Kyrië, Projectlied, Gezang 428, Gezang 457:1, Lam Gods, Gezang 124.

 

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Ik wil u graag deelgenoot maken van een bijzondere uitzending van Pauw & Witteman. Ik kijk er graag naar, al erger ik me wel eens aan ze en val ik geregeld halverwege in slaap. Maar dit keer was het heel bijzonder.

Als altijd komen Pauw & Witteman als eersten in beeld, keurig gekleed en gekapt, met frisse gezichten als altijd. Beurtelings zeggen ze:

“We hebben vanavond maar éen gast, maar dat is dan ook een heel bijzondere gast.”

“Hij is net ontslagen uit de gevangenis. Hij zat vast vanwege zijn geloof”.

“We hebben hem uitgenodigd vanwege 10 december, want 10 december, a.s. woensdag, bestaan de universele mensenrechten 60 jaar”.

“Mag ik aan u voorstellen: Paulus, Paulus van Tarsus!”

Er klinkt applaus. Aarzelend. Logisch. Paulus is niet zo in. ‘Hij is zwaar op de hand’, zo zeggen ze.
‘Hij is vrouwonvriendelijk’, zeggen ze. Ze zeggen zoveel dat niet klopt, maar ja, probeer dat als dominee maar eens te ontzenuwen. De camera draait en een klein mannetje van middelbare leeftijd komt in beeld. Hij heeft een bruine huidskleur en een behoorlijk behaard gezicht. Is dit de grote apostel Paulus? Ik zou dit mannetje eerder verwachten in de eerste de beste Turkse winkel op de hoek. Is dìt de man die de alleroudste geschriften van het Nieuwe Testament heeft geschreven, de man die zo krachtig schrijven kan? Gek eigenlijk dat ik bij Paulus een forse gestalte verwacht, zo iemand waar je niet omheen kan. Maar ik had niet alleen kunnen weten dat hij niet blank zou zijn, maar ook dat hij geen indrukwekkend postuur heeft. In éen van zijn brieven aan Korinthe (2Kor.10:10) geeft hij namelijk zelf toe dat hij wel gewichtige brieven schrijft, maar dat zijn persoonlijke verschijning zwak is en hij een zwak en onervaren spreker is. En nu zit deze man bij Pauw & Witteman, bij die twee doorgewinterde interviewers, die niet altijd even zachtzinnig met geïnterviewden omgaan. Ik houd mijn hart vast.

“We willen het graag met u hebben over die laatste brief van u, die aan Filippi. U zat in de gevangenis, zo schrijft u in uw brief. Hoe bent u daar zo terechtgekomen? Had u wat uitgehaald?”

Het is Jeroen Pauw die de vragen stelt. Er speelt een cynische lachje om zijn lippen, zoals altijd bij hem als het over geloof gaat. Zal ik wegzappen? Nee, toch maar blijven hangen. Paulus haalt zijn schouders op.

“Het is niet belangrijk”, zegt hij.

Hij heeft een zachte stem. Ik moet de tv wat harder zetten.

“Het is niet belangrijk, ik..., ik ben niet belangrijk. Het gaat niet om mij. Ja, als je het weten wilt, het was niet terecht. Ik ben een Romeins burger. Ze hadden me niet eens vast mogen houden, maar ik heb niks gezegd.”

Pauw: “Hoezo? Vond u het dan prèttig in de gevangenis?”

“Zo zou ik het niet formuleren. Het was goed dat ik in de gevangenis zat. Ja, zo zou ik het willen zeggen. Het was goed.”

Hij kijkt dromerig voor zich uit. In zichzelf gekeerd. inderdaad: geen groot spreker. Maar hij intrigreert me wel.

“Goed? Het was goed?”

Witteman had het al eerder gevraagd, maar blijkbaar hoorde Paulus hem niet. Nu wel.

“Ja, het was goed. Ik was er omwille van Chrístus. Er werd naar me gevraagd. Ik moest er verantwoording afleggen. Wie ik was. En zo kon ik vertellen dat ik alleen maar iemand was omdat Christus mij geroepen had.”

“Waren ze in de gevangenis in u geïnteresseerd? En in, eh, Christus?”

“Ja. Mijn gevangenschap heeft de verkondiging van het evangelie zeer bevorderd. Zowel in de gevangenis als op de rechtbank. Ze ondervroegen me, ze wilden horen wat me bezielde. En allemaal weten ze nu dat ik in de gevangenis zat om Christus wil. Het was dus goed.”

Mooi is dat, zo denk ik. Blijkbaar is het evangelie niet gevangen te nemen, maar gaat het door, zelfs als de leiders gevangen zitten. De weg van God in ons midden, het komen van Christus in ons bestaan, ìs blijkbaar niet te stuiten. Maar kom op Aart, niet mijmeren, want dan mis je te veel. Hoor, Paul Witteman stelt een vraag.

“Zeg Paulus, ik zeg het maar eerlijk: we hebben u hier niet uitgenodigd omdat wij zo gelovig zijn, maar omdat op 10 december de internationale mensenrechten 60 jaar bestaan en u als zovelen onterecht gevangen zat. Maar het verbaast me dat u ons nu vertelt, dat u er blijkbaar zelf voor koos om in de gevangenis te blijven zitten.”
Paulus knikt.
“Was u niet bang? Ik bedoel: de gevangenissen in onze tijd zijn keurig, volgens sommigen té keurig. Maar in uw tijd is dat anders. Toch?”

Paulus: “ja, wel anders. We zitten er met voetkettingen aan de muur vastgeketend. In donkere kerkers. En we worden voor het verhoor vaak eerst gegeseld. Fijn dat dat bij u niet zo is.”

“Maar was u niet bang?”

“Bang? Waarvoor zou ik bang moeten zijn? Kijk, de gemeente van Filippi stuurde me een brief. Ze waren bezorgd. Ze waren bezorgd over hoe het met me was. Maar dat is niet belangrijk. Het enige dat belangrijk is, is of de verspreiding van het evangelie wel door kan gaan. En dat kan. Sterker nog: ik kreeg zo toegang tot plaatsen waar ik anders nooit kon komen.”

“Maar, was u niet bang? Ik bedoel: u had daar kunnen sterven! Ze hadden u ter dood kunnen veroordelen! Of u had er een ziekte op kunnen lopen!”

“Ja, dat had gekund”.

“Gaf u daar dan helemaal niets om?”

“Nee”, antwoordt Paulus, “of, ja misschien toch ook wel. Ik bedoel:  ik wilde natuurlijk heel graag sterven, want dan zou ik met Christus zijn. Het sterven zou winst voor mij zijn net als voor u allemaal, dat weet ik heel goed. Maar ik bedacht: als ik blijf leven, dan dient dat ergens toe, dan komt daar vrucht uit voort.”

Jeroen Pauw zit met open mond te kijken. Hij wil wat zeggen, neemt een aanloop, maar slaat de hand voor zijn mond. Dan schudt hij grote krullebol en stamelt:
“Hier snap ik helemaal niets van. Ik ben er zelf niet elke dag mee bezig, maar in onze tijd zijn wij bang voor de dood. We willen er niet aan denken. We willen jong zijn en jong blijven, terwijl u........”.

Nu is het Paulus die verbaasd kijkt.
“Wat mist u dan veel”, zegt hij, “Waarom doet u net alsof het leven hier en nu met al die nare dingen die er in het leven gebeuren het enige is? Geeft dàt u vreugde? Geen wonder dat het leven dan op een teleurstelling uitloopt. Geloof me, ik heb Christus leren kennen. Hij is me overkomen en daardoor heb ik veel beter mezelf leren kennen en het leven. Hij heeft me laten zien waar het om gaat, om het verspreiden van de liefde van God voor alle volkeren over de gehele wereld. Daar ben ik mee bezig, dat is mijn missie. En natúurlijk ben ik niet bang, want ik weet dat ik geborgen ben in de handen van God.”

Er valt een stilte. De twee gladde ondervragers kijken niet langer naar Paulus, maar naar beneden. Alsof ze onder de tafel hun keurige schoenen zouden kunnen zien. Ze zijn diep in gedachten. Ook bij mij komt er van alles boven. Dat laatste wat Paulus zei, dat ik geborgen ben in de handen van God, dat het dus goed komt, hoe dan ook, dat betekent veel voor mij. Het geeft me rust. Maar dat andere, dat het sterven winst is, omdat je dan verenigd bent met Christus, dat is me wel erg hoog.

Paul Witteman doorbreekt de stilte. Hij zegt:

“We krijgen hier vaak mensen aan tafel met een wonderlijk geloof. En ik zal u eerlijk zeggen: ik geloof er nooit een biet van. Maar u maakt indruk. U zet me aan het denken. Alleen... een paar weken geleden nog zat Andries Knevel hier. Hij weet precies wat hij geloven moet en vindt dat ik ook precies zo geloven moet. Maar een andere keer zat hier oud-kardinaal Simonis, uit een heel andere hoek van de kerk. Ze denken heel verschillend, maar het zijn eigenlijk allemaal opvolgers van u. Hoe vindt u dat nu?”

“Geweldig”, zegt Paulus, “ik vind het geweldig. Dat het nog altijd door gaat. Dat mijn brief niet alleen in Filippi, maar zelfs vandaag in Nederland 2000 jaar later gelezen wordt en dat er nog altijd mensen van Christus willen vertellen.”

“Maar ze doen dat misschien wel heel anders dan u!”

“Misschien wel”, zegt Paulus, “Dat kan. Ik ken ze niet. Ik zou ze graag eens willen ontmoeten. Maar weet u... Toen ik in de gevangenis zat, kreeg ik een brief uit Filippi, daarvan vertelde ik u al. Ze vroegen me hoe het met me ging. Op die vraag naar hoe het met mij ging, gaf ik antwoord toen ik hen vertelde dat het goed ging met de verspreiding van het evangelie. Want ik hoorde dat er tijdens mijn afwezigheid in de gewone mensenwereld, buiten de gevangenis, anderen waren opgestaan. Ze zijn er blijkbaar door bemoedigd dat ik in de gevangenis gewoon doorga en zij bemoedigen mij op hun beurt, omdat ik zo steeds meer leer dat de verspreiding van het evangelie gelukkig niet van mij afhankelijk is. Ook over hen hoorde ik vertellen dat ze heel verschillend zijn. Sterker nog: dat ze niet eens allemaal goede bedoelingen hebben. Sommigen denken van: ‘als ik nu eens krachtig het evangelie verkondig, dan krijg ik straks misschien wel die positie in de kerk die Paulus altijd had’. U ziet: het gaat er in de kerk net aan toe als in de rest van de wereld. Maar het geeft niet, zo schreef ik aan Filippi, want het gaat niet om de bedoelingen van de prediker, of die zuiver of minder zuiver zijn, welnee, het gaat alleen maar om de verspreiding van het evangelie dat God in Jezus Christus zijn liefde een gezicht heeft gegeven. En daar verblijd ik me over. En daarover zal ik me blijven verblijden. In de gevangenis of niet.”

Weer valt er een stilte en zijn de beide heren in gedachten verzonken. Dan zegt Pauw:

“Het valt me op dat u zich helemaal wegcijfert, alsof uw leven er helemaal niet toe doet. Is dat de boodschap die u brengen wilt, dat wij mensen ons moeten wegcijferen?”

Paulus reageert meteen: “Nee, dat niet. Jèzus heeft zich weggecijferd. Hij kwam als de mìnste, in de gestalte van de mìnste mens en daarom is het ook dat hij in de gestalte van de minsten herkenbaar is. Wij moeten in zijn voetstappen gaan. Sta daarom klaar voor de gevangenen, voor hen die ten onrechte opgepakt worden, waar dan ook. Of wij ons moeten wegcijferen? Weet u, ik denk dat ik niet anders kàn, het móet niet, maar ik wìl niet anders, want ik wil in Jezus’ voetstappen gaan. Maar ik wil u ook wel bekennen dat het tegelijkertijd ook in mijn eigen belang is. Jazeker, maak alsjeblieft geen heilige van mij, ik ben soms ook veel te driftig en te ongeduldig, u moest is weten wat ik allemaal met Petrus aan het uitknokken ben, en ik heb ook zo mijn doornen in het vlees. Maar als ik volgeling van Jezus ben, op mijn manier, en als u dat doet op uw manier, dan dòet dat goed, automatisch, niet alleen aan de mensen om u heen maar ook aan uzèlf. Want alleen zo kom je er achter dat je werkelijk bestaat, mens bent. In Christus, zo noem ik dat. In Christus is het leven. En zoals Jezus zich verhoogde, door zich te vernederen, zo kunnen ook wij onze bestemming vinden, het doel van ons leven als we willen dienen.”

Dan is het gesprek is afgelopen. De tijd is voorbij. Ademloos heb ik gekeken. Hier kan geen preek tegen op. Geen enkele behoefte had ik om weg te zappen. En Pauw & Witteman blijkbaar ook niet, want de zap-service zijn ze helemaal vergeten. Ze gaan staan en geven elkaar een hand. Paulus is duidelijk de kleinste van de drie. In de stad zou ik hem niet herkennen. Maar zijn woorden gonzen in me rond. Hij heeft me aan het denken gezet. Hopelijk ook u.

 Amen.

​Terug naar alle preken


website van Aart C. Veldhuizen, www.aartveldhuizen.nl


Cookies helpen ons onze services te leveren. Door onze services te gebruiken, geeft u aan akkoord te gaan met ons gebruik van cookies. OK