Lezingen: Genesis 25:1-4 en Matteüs 2:1-11.

 

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Ik zou wel willen meelopen in het verhaal, om zo ook het kind vinden en te aanbidden. De vraag is alleen met wie ik dan moet meelopen. Met drie Koningen die allemaal uit een andere hoek van de wereld komen zoals diverse legendes ons vertellen? Of met drie wijzen, vreemde lui, occulte sterrenwichelaars uit het Oosten? Toch zou ik graag meegaan. Want weet u: ik kan wel over hem vertellen, daar heb ik zelfs voor geleerd, maar hoe vind ik het kind zelf? Ik houd trouwens helemaal niet van koningen, laat staan van drie. Ik heb een zekere allergie voor machthebbers, het spijt me. Vindt u het ook goed als ik met zes kerels meeloop? Want volgens mij kom ik dan beter terecht dan wanneer ik met drie koningen meega.

Zes zonen zijn het. Ze komen uit het Oosten en heten wijzen. Dat is niet omdat er in het Westen geen wijzen wonen. Het gaat helemaal niet om wijzen in het verhaal. Het gaat om het Oosten, daar komen ze vandaan. In latere verhalen zeggen ze dat ze uit alle windstreken komen, maar we moeten niet zo goedgelovig zijn. We moeten goed lezen: ze komen uit het Oosten.

Het Oosten. Dat is het land van de opgang. Daar gaat elke morgen voor niets de zon op. In het Oosten staat de hof van Eden, waar Eva en Adam eten van de boom van kennis van goed en kwaad. In het Oosten woont Abraham voordat hij geroepen wordt en op reis gaat naar het beloofde land. In datzelfde Oosten speelt het Bijbelse boer zoekt vrouw zich af als Abraham een vrouw laat halen voor zijn zoon Izaäk. Het Oosten, daar gaat elke morgen voor niets de zon op, het is de plek van de opgang van de zon. Maar het is ook de plek van de opgang uit je familie. In het Oosten liggen je roots, je komt er vandaan. Het is ‘ús heitelân’. Soms vlucht je er weer naar terug als je het niet meer weet, of als je merkt dat je nog niet rijp bent voor de grote wereld. Jakob bijvoorbeeld. Als hij zijn broer en vader heeft bedrogen, vlucht hij naar het Oosten en schuilt bij oom Laban. Daar moet hij boeten voor wat hij gedaan heeft. Maar later is zijn opgang als hij er als nieuw vandaan gaat. Ook veel later, als Israël en Juda moeten boeten voor het mateloze uitbuiten van armen worden ze weggeleid naar het Oosten, in ballingschap. Ook zij komen daar later weer als nieuw vandaan.

In het Oosten, waar elke dag voor niets de zon op gaat, daar staat je wieg. Maar in je wieg kun je niet blijven liggen. Ik ben nu een volwassen kerel van 47 jaar, geen kind meer onder moeders rokken. Ja, het nest waar ik uit kom is een goed nest daar in het Oosten, maar nu sta ik op eigen benen en wil verder. Mijn bestemming is niet om daar te blijven, mijn bestemming is in het Westen, in beloofd land.

Daar uit dat Oosten komen zes kerels, zes zonen. En we lopen met hen mee. Ik moet eerst wat meer over hen vertellen. Want dat ik over zes kerels begin in het verhaal van de wijzen uit het Oosten, is vast toch wat nieuw voor u. Het zijn interessante lui die zes. Het zijn zonen van Abraham. Ze zingen wel dat vader Abraham zeven zonen heeft, Abraham heeft zeven zonen zeven zonen heeft Abraham,
maar dat klopt niet. Hij heeft er acht. Izaäk en Ismaël en dan nog zes. We lazen het. We hoorden het. Abraham neemt nog een vrouw, Ze heet Ketura. Haar naam betekent Rook. Wierook. Dat woord klinkt vandaag wel erg bekend. Wierook, ik bedoel Ketura, krijgt zes zonen. Zij en Abraham hebben zes zonen. Abraham geeft zijn bezit over aan Izaäk, met hem en zijn nageslacht gaan de verhalen verder en ook zijn andere zoon Ismaël krijgt rijke zegen mee. Maar die andere zes? Waar zijn ze gebleven? Ze moeten weg. Abraham geeft ze geschenken mee. Dan stuurt hij ze weg, weg van zijn zoon Izaäk met wie de verhalen verder gaan. Abraham stuurt ze naar het oosten, naar het Oosterland.

Eigenlijk bevalt me dat niks. Waarom moeten die zonen weg? Waarom moet ook Ismaël al weg? Waarom kunnen ze niet gewoon met zijn allen verder? Moeten ze eerst nog allerlei lessen leren? Ach, we weten het ook wel. Families kunnen niet altijd samen blijven. Soms móeten wegen uiteengaan omdat het anders gewoon niet meer lukt, omdat het anders tot een vorm van slavernij leidt, waarbij de één over de ander heerst.

Zo loop ik vandaag dus niet met drie koningen mee, maar met die zes zonen van een verscheurde familie. Hoe ze heten? U hebt hun namen al gehoord: Zimran, Joksan, Medan, Midjan, Jisbak en Suach. Eens zond Abraham ze oostwaarts, naar het Oosterland. Maar nu, nu Jezus geboren is, de grote nakomeling van Abraham, nu komen ze terug. Eens gaf Abraham ze geschenken mee naar het Oosterland, nu komen zij uit het Oosterland en hebben geschenken bij zich. Begrijpt u wat dat zeggen wil? Een verhaal dat nog niet af was, wordt afgemaakt, de cirkel wordt rond. Is er wat mooier dan dat?

Ze hebben een ster gezien en ze gaan. Natuurlijk kunnen ze sterren lezen. Dat kijken naar de sterren hebben ze van hun vader Abraham geleerd. Die keek altijd naar de sterren. “Zo talrijk als sterren, zo talrijk wordt jouw nageslacht,” zo is er tegen hem gezegd. En dat er één ster zou zijn die veel groter zou zijn dan de ander, daarover droomde hun achterneef Jozef ook al, toen hij droomt dat de andere sterren voor zijn ster zullen buigen. De zes zonen zien een ster, een grote ster, en ze weten het: “het is zover!” Ze trekken op en wij mogen mee, naar Jeruzalem. Natuurlijk, eerst moet je naar Jeruzalem. Dat weet zelfs de kerk. We kunnen niet aan Israël voorbij, sterker nog, we zijn ingelijfd in het Joodse volk. Nee, anders nog, we zijn een tak van het Joodse volk. We zijn universele Joden.

Maar de koning weet nergens van. Hij deugt niet, zoals alle machthebbers in het kerstverhaal niet deugen. Hij staat in de weg voor alles wat nieuw is. Hij wil niet komen uit zijn bestaande. Hij wil niet opkomen uit het Oosten. Hij wil daar blijven. Hij wil alles houden zoals het is. In hem regeert de angst.

We staan op een tweesprong: hoe willen we verder? Willen we verder? Het diepe in? Het onbekende in dat te maken heeft met die ster? Of terug naar moeders rokken in het Oosten?

Herodes roept de Bijbelgeleerden. “Pas op voor Bijbelgeleerden!” zegt dit verhaal ons. “Ze wijzen wel, maar gaan zelf niet!” Oef, dat doet zeer. Want ik ben ook als Bijbelgeleerde opgeleid. Ja, nu kan ik wel heel netjes zeggen dat het er om gaat dat u moet gaan, maar ik zelf? Ga ik zelf ook het onbekende in?

Ze trekken verder. Daar gaat het dus om. Het kind maakt dat mensen in beweging komen. Om te gaan, het onbekende tegemoet. Het kind lokt je om je nest uit te komen om de plek waar je bent opgegroeid te verlaten en hem te volgen. De zes zonen gaan en schoorvoetend volg ik ze ook maar. Voor even Bijbelgeleerde af. We trekken naar Bethlehem. Bethlehem, een nietszeggend stadje, een stadje dat niets voorstelt, zo schrijft Micha: “En gij, Bethlehem Efrata, al ben je klein onder de geslachten van Juda, uit jou zal mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël.” Wat gek. Matteüs verandert een paar dingen uit dat vers uit Micha. Hij zegt niet dat Bethlehem klein is, maar dat Bethlehem geenszins de minste is! Bethlehem, je bent groter dan je denkt! Denk niet te min van jezelf! En Matteüs verandert nog wat aan de tekst van Micha: Er zal niet een heerser uit Israël voortkomen, want heersers deugen niet in het kerstverhaal, maar een herder! Geen koning zoals Herodes de bruut, maar een herder zoals David in zijn jonge jaren…

Wij gaan het onbekende tegemoet. Dat heeft met dat Kindeke te maken. Hij trekt ons in beweging. Ja, dat is het geheim van geloof, dat het niet iets is dat je doet of wat je moet geloven, maar dat er aan je wordt getrokken, alsof opeens een krachtige wind je vooruitduwt, dat je wordt weggeblazen je veilige nest uit, ‘ús heitelân út’, om hem te volgen die geen koning van macht en willekeur is, maar een herder.

Als kleine kinderen staan de zes zonen rond het bedje van het Kindeke. Eens gaf Abraham hen geschenken mee en zond ze weg, oostwaarts, naar het Oosterland. Nu zijn ze terug en bieden ze aan wat ze zelf hebben ontvangen.

Drie geschenken: het eerste is het goud, edel en koninklijk, het zegt: kind dat ons hoeden wil, jij bent onze koning.

Het tweede geschenk dat ze geven is hun moeder, Ketura, Wierook. Wierook doordingt alles. Het kringelt omhoog als de gebeden. Wierook is de reuk en staat voor het gebed. Het zijn de gebeden van hun moeder. Het zijn de gebeden van mijn ouders die ik met me meedraag, die mij tot dit kindje Jezus gebracht hebben.

Het derde geschenk is mirre. Het wordt als laatste genoemd. Met mirre zalf je plekjes waar uitslag op zit, maar vooral wordt daar iemand mee gezalfd die overleden is. Dat is vreemd. Het wil zeggen dat dit kind niet zomaar een Koning worden wil, die de macht grijpt, maar een herder, die wel hoeden wil, maar als alle herders tot uitschot wordt gerekend en uitgestoten wordt.

Daar staan de zes zonen bij de zevende zoon. De gaven die ze zelf ontvangen hebben, bieden ze hem aan. Maar wat nog belangrijker is: hier zijn ze weer samen. De zes zonen van Abraham en Ketura zijn hier verenigd met de grote zoon van Abraham.

Hoe ging het liedje ook al weer? “Abraham had zeven zonen, zeven zonen had Abraham….” Dat klopt dus. De familie, die uit elkaar ging, is weer bij elkaar. Wat een prachtig begin voor het nieuwe jaar. Dat families, die elkaar zijn kwijtgeraakt, elkaar weer opzoeken. Ja, hier komen de volkeren bijeen. Ze weten het weer: we zijn broedervolken. Hier zijn ze, de zes zonen van Ketura en de zoon van Izaäk. De zes zonen moesten weg, net als bij een geboorte. Moeder is zwanger en je moet een tijdje weg. Naar familie die in het Oosten woont. Ruimte moest er komen opdat Izaäk zich kon ontwikkelen en niet in de verdrukking zou komen. Nu is het kindje geboren, nu komen ze weer terug en bieden hun geschenken en diensten aan.

Hoor Bethlehem! Hoor heersers! Hoor Israël! Hoor kerk! Hoor de Lege Geaen! Volkeren zijn niet elkaars concurrenten, maar elkaars broeders, van begin af aan, kleine broertjes van de grote pasgeboren zoon.

En ik? Ik ben meegelopen. Ik heb het gezien. Van een afstandje, want zelfs als dominee kun je jezelf niet zomaar het Bijbelverhaal inschrijven. Ik zie de zes zonen buigen. Ze vallen op hun gezicht voor een kind. En ook ik buig het hoofd. Ik val op mijn gezicht, en prevel mijn wens voor 2010 en daarna:

dat families die uiteen gingen elkaar weer mogen vinden, dat volken broedervolken mogen zijn, mensen elkaars hoeders. En dat we ons eraan overgeven en het doorgeven dat iets ons blijft trekken:

een Kind dat een herder wil zijn. Hij trekt ons onze opgang uit, ons nest uit, achter hem aan, om telkens weer met elkaar te verbroederen.

Lof zij u Christus in eeuwigheid.

Amen.

​Terug naar alle preken


website van Aart C. Veldhuizen, www.aartveldhuizen.nl


Cookies helpen ons onze services te leveren. Door onze services te gebruiken, geeft u aan akkoord te gaan met ons gebruik van cookies. OK