Gelukkig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden - Matteüs 5:4, Hervormde Kerk Langweer, 16 februari 2014.

 

Inleiding op de lezing:

Donderdag 13 februari, 12.30 uur. Het is koud in de kerk en donker, al is het midden op de dag. Buiten gaat de wind te keer. Binnen is het stil. Zal ik de deur open laten, of op slot doen? Toch maar op slot doen, je weet nooit wie er binnen komt. Ik doe het licht aan in de hal, ga de trap op, start de motor en kruip achter het orgel. Met mijn jas dicht zit ik even later muziek te maken. Wat een prachtige stemmen, zelfs als ze door de kou wat minder zuiver klinken. ’t Is fijn om in je eentje in de kerk te zijn, al ben ik blij dat u er nu ook bent. Eventjes helemaal niks, alleen deze ruimte waar niemand is, waar de sfeer van eeuwen huist en waar de muziek die ik met koude vingers probeer te maken door de ruimte klinkt.

En terwijl ik daar zit en langzaam maar zeker opga in de muziek, overkomt me iets waarvan ik ontzettend schrik. Ik voel een hand op mijn schouder ik hoor een wat krakende stem: “Zo dominee, ook al organist?” Ik schrik ontzettend, glij half van de orgelkruk af. Dan kijk ik opzij en zie hem staan, met zijn bruine pij aan en zijn Jezus-sandalen. Hij is het weer: Franciscus van Langwar. Kwaad kijk ik hem aan.

“Man, wat laat je me schrikken! Ik krijg bijna een hartverlamming van je!”
“Kom dan maar naast mij liggen”, zegt hij, “daarginds, achter de tafel, onder de roze steen.”
Het maakt me nog kwader. “Jaag jij altijd mensen de stuipen op het lijf!”
“nou dominee, doe maar rustig aan. Jij bent toch die kerel die geen watervrees hebt. Trouwens, ik lig haast nooit onder die steen. Ik waai hier gewoon wat rond. Als er mensen komen kruip ik in de toren, of in een donkere hoek van de kerk. Ik vind het leuk om op zondagmorgen naar de praatjes van die nijerwetse dominees te luisteren.

Ik grom nog altijd. “Man, zeur niet. Wat kom je hier trouwens bij mij doen?”
Hij zwijgt. Hij kijkt de andere kant op.
Daarom vraag ik wat: “Goed, dan heb ik een vraag voor je. Ben jij ooit zalig verklaard?”

Hij trekt zijn wenkbrauw op. “Zalig verklaard? Nee, dan had je het wel geweten. Dan was Langweer een bedevaartplaats geworden. Titus Brandsma, die is zalig verklaard, en die Poolse paus van een tijdje geleden. Ja, je ziet, ik houd de huidige geschiedenis ook bij. Ik ben niet zalig verklaard. Ik ben gewoon overleden. Je weet toch, eerwaarde broeder, alleen heel uitzonderlijke mensen worden door de kerk zalig worden.”
“Kan best”, zeg ik, “ik zou trouwens tegen jouw zaligverklaring stemmen na je optreden van daarnet. Weet je trouwens dat Jezus het anders doet? Jezus verklaart niet mensen zalig die heel uitzonderlijk zijn, maar ieder mens die het moeilijk heeft. Als je wilt weten hoe dat zit, moet je komende zondag maar eens goed luisteren.”

Franciscus haalt zijn schouders op. Ik speel verder. Als ik weer wat wil zeggen, kijk ik opzij en zie ik dat hij verdwenen is. 't Is een rare man, ik kan nog niet aan hem wennen. Ik zou hem niet zalig verklaren nee, verlopig niet tenminste.

 

Lezing: Mattheüs 5:1-12.

 

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, lieve mensen, 

Zalig, diep gelukkig zijn zij die treuren, want ze zullen getroost woorden.
Als ik er goed over die woorden nadenk, zijn het woorden die ik mooi vind, die me inspireren. Maar als ik ze oppervlakkig lees zijn het woorden die me dwars zitten. Want je kunt niet zomaar tegen een ander zeggen dat hij of zij gelukkig is. Jezus doet dat wel, maar dat kan nooit. Iemand kan alleen maar van zichzelf zeggen dat hij gelukkig is of niet.

Als iemand ziek is, dan stuurt u massaal een kaartje. Prachtig! Blijf dat alsjeblieft doen. De adressen van mensen die een kaartje nodig hebben hangen op het prikbord en men vindt het prachtig om een kaartje te ontvangen. Alleen, wat zet je er op? Wat zeg je tegen iemand die iets vreselijks is overkomen? Nee, je kunt er niet een van die zinnen van daarnet op zetten. Je kunt er niet op zetten: “Zalig zij die treuren, want zij zullen vertroost worden”. Dat kan niet. Zo’n boodschap zou de ander verwarren, afstoten misschien wel. Troosten is moeilijk. Wat zet je op zo’n kaart? Wat zeg je tegen iemand die diep in de put zit?  

Eerst dit: troosten is verleidelijk, voor mij tenminste wel. Heeft u dat ook? Dat je als je bij iemand bent die ontzettend in de put zit, je iets zou willen zeggen dat het leed vermindert, dat het verdriet kleiner maakt? Op mijn slechte momenten doe ik dat wel eens en u misschien ook wel. Maar wat ik dan eigenlijk doe, is dat ik het verdriet van de ander wegsmeer, dat ik er iets anders over heen smeer, alsof ik het verdriet niet wil zien.

Mensen die zelf een geliefde hebben verloren, weten hoe hard en lomp opmerkingen van anderen soms aan kunnen komen. Iemand die een kind had verloren, kreeg te horen: “Je kunt nog wel een ander kindje krijgen” Natuurlijk, goed bedoeld, maar het deed bij de jonge moeder ontzettend pijn. Want ze wilde geen ànder kindje, ze wilde haar èigen kind terug, dat veel te jong overleed!  

Dominees zeggen ook geregeld eens domme dingen. Het zijn net mensen, die dominees. Iemand in het verpleegtehuis die beide benen moet missen, vertelde me dat zijn dominee langs was geweest. Hij was verdrietig, omdat hij steeds sterker beseft dat hij nooit meer kan lopen. De dominee had tegen hem gezegd dat hij zijn zegeningen maar moest tellen. De man was woest. Hij wilde de dominee niet meer zien. En ik gaf de man groot gelijk. Want die dominee had makkelijk praten, die kon zijn beide benen nog tellen, deze man niet.
En toch snap ik die dominee maar al te goed, want ik ben ook vaak niet in vorm. En dan wil je zo’n man toch troosten. Het liefst zou je hem weer een lichtpuntje willen laten zien. Want lichtpuntjes zijn er ook heus wel. Tenminste, voor mij die bij hem op bezoek is wel, maar voor die man niet, op dat moment niet. Zijn leven voelt als ingestort nu hij weet dat hij nooit meer zou lopen. En elk lichtpuntje dat hem wordt aangedragen voelt hij als een afwijzing van zijn eigen verdriet.

Het probleem van zulke troostwoorden is dat het de boodschap afgeeft dat de ander eigenlijk niet verdrietig mag zijn: "Akkoord, je hebt je beide benen niet meer, maar er zijn toch nog wel andere zegeningen die je tellen kunt?" Daarmee gaf de dominee die niet in vorm was de man er een probleem bij: de man miste zijn beide benen al, maar nu mag hij ook nog niet eens verdrietig over zijn.  

Waar komt onze behoefte om te troosten vandaan? Natuurlijk omdat je die ander weer licht in de ogen gunt. Maar misschien ook wel omdat wij vinden dat de ander eigenlijk niet verdrietig mag zijn? Of is het meer dat we niet goed tegen het verdriet van de ander kunnen? Dat we het te confronterend vinden voor de diepten in onszelf of voor onze eigen nachtmerries? Ik denk het.

Bij troosten gaat het er echter niet om dat je iets mooi voor iemand bedenkt. Een opbeurend woord, of een vers of een gedicht, dat een ander weer opbeurt. Nee, troosten is wat anders. Troosten is het uithouden bij het verdriet van de ander. Troosten is er gewoon bij zijn, het verdriet van de ander voelen, helemaal, dezelfde lucht inademen, nabij zijn en nabij blijven. Meer niet. Dat is troosten.
Het Hebreeuwse werkwoord voor troosten is afgeleid van een woord dat diep ademen betekent. Dat zegt het precies: troosten is diep mee-ademen met de ander, meezuchten. Daar heb je geloof voor nodig. Vertrouwen, dat de ander zelf weer tot troostwoorden komt. Als je lang durft te zwijgen, zul je zien dat de ander zelf met troostwoorden komt. En dan helpen die woorden, want dan zijn het echt de woorden van de ander.


“Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden”
Dat zegt Jezus. Het is een paradoxale uitspraak. Alsof je eerst verdriet moet hebben en moet treuren omdat je dan pas gelukkig bent omdat je vertroost wordt. Jezus zet de boel op zijn kop. Het moet niet gekker worden. Het klopt van geen kant, zo zou je zeggen. Hoewel?

De cabaratier Herman Finkers heeft een doldwaas liedje gemaakt, met een ontzettend mooi en echt refrein, een regel waar ik vaak aan moet denken als ik twee mensen bij elkaar zie zitten in het verpleegtehuis waar ik werk. Die prachtige regel luidt:  “Ik heb haar liever dan geluk”. Wat een geweldige uitspraak is dat van die Herman Finkers. “Ik heb haar liever dan geluk”.
Als Herman Finkers dat liedje maakt, is hij ziek, een soort leukemie, bloedkanker. En toen hij met het nieuwe programma ‘Na de pauze’ weer ging optreden, zong hij dit liefdesliedje over zijn vrouw: “Ik heb haar liever dan geluk”.  

Ik heb je liever dan geluk. Ja, dat bestaat. Er is iets dat liever is dan geluk. Het wonder van liefde, dat gaat verder dan geluk, dat doorgaat waar het geluk is gestopt, dat doorgaat als je kanker hebt gekregen zoals Herman Finkers, als er pech over je leven is gekomen, door ziekte of verdriet. Er is iets dat liever is dan geluk. 
We komen daarmee wat dichter bij wat Jezus bedoelt als hij zegt: “Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden” Dat er iemand is die bij je blijft, die je niet in de steek laat, zelfs niet als het allerergste je treft, iemand die je verdriet niet wegsmeert met te vroeg uitgesproken troostwoorden, maar iemand die jou – inclusief je verdriet - liever heeft dan geluk. Dat is volgens mij het meest intense dat een mens kan meemaken.  

Ik herinner me een man die op sterven lag. Zowel hij als zijn vrouw wisten dat hij zou sterven. De dokter had het gezegd, hij voelde het en zij zag het aan hem. En ze zat bij hem, aan zijn bed. Ik kwam, mocht erbij zitten en vroeg:  “Hoe gaat het met jullie”. En ze zeiden:  “We praten maar en praten maar. Zoveel hebben we nog nooit gepraat.”  Ze keken elkaar aan. Toen pakte de man de hand van zijn vrouw en zei: “Het is net alsof we weer verkering hebben”. Dat is: “Ik heb je liever dan geluk”.

Zo komen we wat dichter bij het raadsel van dat woord van Jezus: “Zalig zijn zij die treuren, want ze zullen vertroost worden”. Maar we zijn er nog niet. Het belangrijkste moet nog komen. Daarvoor moet ik u mee nemen naar een berg ergens in de buurt van het meer van Galilea. Er zijn heel veel mensen naar Jezus toegekomen. Hij ziet ze. En hij zondert zich af, gaat de berg op, vanwaar hij de mensenmassa nog beter zien kan. Daar gaat hij zitten, met zijn discipelen om hen heen. En dan begint hij die woorden te spreken die ik net las, niet tegen de mensenmassa, maar tegen zijn leerlingen: “Zalig zij die treuren, want zij zullen getroost worden”. 
Hier op de berg, met de leerlingen om hen heen, zegt hij dat met het oog op de mensenmassa beneden aan de berg. Hier in de kerk, met ons om hem heen, zegt hij dat met het oog op de mensen buiten, de mensen in het dorp, de mensen in je straat. Hij zegt het met het oog op hen die het moeilijk hebben. En met het oog op hèn zegt hij tegen ons: “Zalig zij die treuren, want zij zullen vertroost worden!”

En daar ben ik op het punt gekomen waar dit Bijbelgedeelte mij zo inspireert. Het laat zien hoe God kijkt, het zegt wie God zalig verklaart. Geen dokter, dominee, notaris of kerkenraadslid, geen Franciscus van Langwar alleen of Titus Brandsma, maar vooral de vertrapte, de weduwe, de wees, de misbruikte. En dat geeft met een enorme richtingaanwijzer aan waar het in de kerk om moet gaan. Niet om ons zelf, niet eens om het in stand houden van de kerk, maar om de mensen die het moeilijk hebben, die vast dreigen te lopen, die het water tot de lippen staat. Daarom zegt hij: “Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden”. Deze woorden van Jezus zijn dus niet bedoeld voor op een kaart. Het zijn geen troostwoorden voor mensen die het moeilijk hebben. Jezus zegt deze woorden helemaal niet tot de mensen die het moeilijk hebben. Hij zegt het niet tot de schare en niet in het verpleegtehuis. Nee, hij zegt het tegen zijn leerlingen, tegen ons met het óóg op de mensen die het moeilijk hebben. Zo van: “Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden, door jullie
en daardoor door mij.
Je komt van de week heus die man of die vrouw wel weer tegen, en hij of zij heeft diep verdriet. Maar knoop het goed in je oren, zij, die mensen die treuren, die het helemaal zat zijn, zijn zalig. En zij die zeuren ook. Diep gelukkig. Waarom? Omdat mijn zorg er voor de volle honderd procent voor hèn is. Knoop dat in je oor. En laat jouw zorg er dus voor de volle honderd procent voor hen zijn.”

Zo spreekt Jezus de woorden uit, met het oog op de schare die het zat is, het niet meer weet, die pijn lijdt en verdriet heeft. En dat inspireert mij om hier in Langweer en in het verpleegtehuis mijn werk te doen, aanwezig zijn bij mensen die het zwaar hebben. Want daar is het nu juist allemaal om begonnen:  om zorg voor de naaste die het helemaal niet meer ziet zitten.
Jezus geeft ons vandaag kijkles. Hij leert ons te kijken naar mensen zoals God naar mensen kijkt. “Zalig, diep gelukkig, zijn zij die treuren”. Ja, dat is absurd, maar het geeft ook iets heel moois aan. Niet dat Jezus vindt dat u maar dankbaar moet zijn, nee dat totaal niet, maar wel dat Jezus vertelt wie er voorrang hebben. En daarom komen we hier op zondag bij elkaar. Om eerlijk te zijn. Om niet zomaar net te doen alsof we altijd blij zijn, want dat zijn we niet altijd. Er moet hier zeker ook gehuild kunnen worden. Maar ook niet om altijd alleen maar somber te zijn. De lach mag er ook zijn. Want we komen hier en worden hier herinnerd aan iets anders, dat er iets is dat nòg meer is dan geluk: liefde.

“Ik heb je liever dan geluk”, zingt Herman Finkers. Hij zegt daarmee: “ik zou heel graag geluk willen hebben, ontzettend graag, maar ik heb jou liever, duizend keer liever. Want je bent een stuk van mij. Je geeft om mij en ik geef om jou. Je troost mijn tranen. Je helpt me liefdevol. Je kijkt naar me om. En uit alles merk ik dat je van me houdt. Ja, ik heb je liever dan geluk.” En zoals Herman Finkers zingt, zo vertelt Jezus over God. Want Jezus laat met zijn leven zien dat God u liever heeft dan geluk: “Lief mensenkind, ik heb je liever dan geluk”

Amen.

​Terug naar alle preken


website van Aart C. Veldhuizen, www.aartveldhuizen.nl


Cookies helpen ons onze services te leveren. Door onze services te gebruiken, geeft u aan akkoord te gaan met ons gebruik van cookies. OK