Wat God met bokken doet

Grote of Martinikerk Sneek

16 november 2008 – tweede zondag van Voleinding.

 Voorganger: Aart C. Veldhuizen
Organist: Dirk S. Donker

Zingen: Psalm 9 vers 1 en 2.

Bemoediging/groet, gebed om ontferming met gezongen Kyrië.

Zingen: Psalm 9 vers 5 en 6.

Gebed voor de Schriften.

Zingen: Hij wandelt in zijn koningsjas, uit Zingend Geloven deel VII.

Tussen de coupletten daarvan werd gelezen: Genesis 44:1-13 en Mattheüs 25:31-46.

Preek (zie onder).

Zingen: Gezang 280.

Collecte.

Gebeden met gezongen responsie.

Zingen: Gezang 481.

Zegen.

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Wat God met bokken doet? Lang geleden trok Jozef op naar zijn broers. Ze waren daar met de kudde, kleinvee, schapen en bokken. Pas op met bokken! Bokken werpen zich op als leiders en maken er een bende van. Ze dreigen de andere dieren te overheersen. Machtswellustelingen zijn het. Bokken grazen de beste weide af, ze drinken het helderste water en bevuilen de rest met hun vuile poten. Dat zegt Ezechiël, en die kan het weten. Een bok is koppig en onhandelbaar, dom en smerig. Ook in onze taal hebben wij het over iemand die stinkt als een bok, en een oude man die op jonge meisjes valt, noemen we een geile bok.
Naar zijn broers was Jozef op weg. Ze bleken geen broers te zijn, maar een stelletje bokken. Ze gooiden hem in de put en verkochten hem naar Egypte  en zijn jas sprenkelden ze in het bloed van…? Juist: in het bloed van een bok – hoe kan het ook anders. Wat moet er met zulke bokken gebeuren?

Wat God met bokken doet? We horen het Jezus in de Matteüslezing tegen de bokken zeggen: “ga weg van mij, gij vervloekten, ga naar het eeuwige vuur dat voor de duivel en zijn engelen bereid is”. Jezus heeft het in Matteüs heeft het vaak over het eeuwige vuur. Daar worden de bokken in geworpen, zij die hun leven niet wilden delen. Daar is geween en tandengeknars, zo schrijft Matteüs op andere plaatsen, het knarsen van de tanden over de gemiste kansen. Je ziet ze daar zitten tussen die helse vlammen. De gezichten strak. Hun hoorntjes al bijna zwartgeblakerd. De tanden op elkaar geklemd. “Hadden we nou toch maar die hongerige te eten gegeven, die dakloze een bed  en die gevangene bezocht.” Het is huiveringwekkend, maar tegelijkertijd is het ook een prachtig beeld, dat hier die bokken nu eens een keer zwaar de ‘bok’ zijn. Alleen….., geloven we daar nog wel in?
“We willen die poespas niet meer, geen gedreig met eeuwig branden in de hel alstublieft op de kansel, dogma’s zijn het”, zo wordt er door velen onder ons gezegd. Die dogma’s geloven we niet meer.

Wat God met bokken doet? Dominee, er bestaat toch geen hel?” “Jawel”, zei eens paus Johannes XXIII, “Er bestaat een hel. Alleen zit er niemand in”. En op de vraag “hoe stelt u zich de hemel voor?” antwoordde eens een rabbijn: “Dat als ik daar kom, dat ik daar dan Hitler zie. En dat ik dat dan niet erg vind”. Een hel? Eeuwig vuur en tandengeknars? Ach, we lezen die verzen liever niet. Ouderwetse voorstellingen en bangmakerij zoals de roe en de zak van Sinterklaas, die ook al is afgeschaft, zo wordt er vaak gezegd. Maar ondertussen zetten we er zomaar een ander dogma voor in de plaats, namelijk dat die hel er niet zijn kan, omdat God liefde is.
Zonder dogma’s Bijbellezen, is niet hetzelfde als je eigen dogma dat je een beetje liever is op de plaats van een ander dogma zetten. Zonder dogma’s Bijbellezen, kan alleen maar als je al die afzonderlijke stemmen van de Bijbel echt serieus neemt. Want in de boeken van de Bijbel zijn zovèèl verschillende stemmen te vinden, ook over wat wij de hel noemen. Zo is er het beeld dat Matteüs graag schetst, van een hel waar bokken eeuwig branden, we hoorden het daarnet. Maar er is ook de voorstelling van Openbaring, waar de bokken eenvoudigweg vernietigd worden, en de hel naar de hel gaat. Anderen wijzen op een vers uit de Petrusbrief, waar je in zou kunnen lezen dat de doden een tweede kans zullen krijgen en waar de leer van het vagevuur vandaan komt. En bij Johannes en Paulus juist weer talloze uitspraken te vinden waarin er voor de hele wereld redding is, ogenschijnlijk voor iedereen. De Bijbelboeken spreken niet met één mond, als het gaat over de vraag wat God met de bokken doet.
Wij horen deze weken de oude verhalen over Jozef. We herkennen er fragmenten in, misschien denken we aan sommige parallellen in de families waar wij uit komen of wat er zich tussen ons en anderen afspeelt. Het is de bedoeling van de lezing van vandaag dat wij ons herkennen in de broers, in die bokken, in die mannen die maar doen. Het gaat er om dat we ons laten aanspreken en veranderen. Daarom lezen we elk jaar op de zondagen van voleinding, de laatste weken van het kerkelijk jaar, teksten van oordeel en gericht. Nee, niet om te gniffelen over die anderen, over die rotzakken waar God straks lekker de hel mee aanmaakt. Al kan dat troostend zijn als je zelf onderdrukt wordt. Nee, voor ons gaat het er in deze verhalen vooral om dat we voor de spiegel gaan staan en ons afvragen: “ben ik ook zo? Ben ik net zoals die broers?”

Wat God met bokken doet? Met bokken zoals wij? Laten we naar Egypte gaan, daar krijgen we daar een antwoord op. Luister maar…
We zien de broers die nog altijd geen broeders zijn. Een dag eerder hadden ze nog een maaltijd opgedist gekregen, waarbij iedereen tot hun grote verbazing van de jongste naar de oudste aan tafel werd neergezet en Benjamin vijfmaal zoveel kreeg als de rest. Gedronken hebben ze, dronken werden ze. Ja, het leek even op een broederschap, op een verbondsmaal, maar dat was het natuurlijk niet. En wat moet je anders doen dan drinken als je niet met elkaar praten kunt? Ik zou het dan ook op een zuipen zetten – als bok – en er uit halen wat er in zit.
Gelukkig, het is allemaal goed afgelopen en we hebben vorstelijk gegeten. Zelden zo goed! En dan opeens…….. Egyptische soldaten. Gestolen? Wij? De beker van de onderkoning?
De beker is de beker van het leven, van het lot dat je treft. Jozef verbindt hier zijn lot en het lot van zijn broers met het lot van zijn broertje Benjamin. Als dit fout gaat, dan is zijn leven niet rond, dan blijven er alsmaar losse eindjes…..
De soldaten doorzoeken de tassen van de broers, van de oudste, naar de jongste. Opnieuw weten de soldaten blijkbaar precies wie de oudste is. Er gaat tijd overheen, de spanning neemt toe, maar dan zijn eindelijk de tassen van Benjamin aan de beurt. Daar ligt de zilveren beker. En daar staan de broers, het gericht dreigt. De beker van de onderkoning is nu de beker van de toorn, de beker die helemaal moet worden uitgedronken. De woede van de onderkoning daalt op hen neer. Het oordeel. Bokken zijn ze. Zij gaven geen bed aan wie dakloos was, maar gooiden hun broer in een put. Zij bezochten geen gevangene, maar verkochten hun broer als slaaf aan Egypte.

Wat God met bokken doet? Nou, kijk maar! Hier staan ze, op hun oordeelsdag. Dit is de dag der dagen, de dag van de afrekening. Nu zullen wìj in de put gegooid worden, nu zullen wìj in de gevangenis worden geworpen, nu daalt Gods toorn op òns.
Gods toorn, ook al zo’n begrip dat ‘uit’ is geraakt in de kerk en ook ik heb er moeite mee. Ten onrechte. Want zonder de toorn van God kunnen bokken maar eindeloos doorgaan. Wat moet er wijken: de trouw van God of de ontrouw van mensen? De liefde van God of het onvermogen van ons om elkaar ècht lief te hebben? De toorn van God is de keerzijde van zijn keuze voor hen die verdrukt worden, voor hen die hongerig zijn, naakt, in de gevangenis. Het oordeel over de onderdrukkers is de redding van de verdrukten.

Maar laten we nog even terug gaan naar Egypte. Wat doet God daar met bokken? Hoor maar:
Juda neemt het woord. Hij houdt een lange redevoering waar de boze onderkoning niet tussen kan komen. “De dood van Benjamin zal de dood zijn van mijn vader, dat mag mijn vader niet worden aangedaan, en wie is er dan schuldig aan de dood van mijn vader?” Voor het eerst spreekt Juda vol liefde over zijn vader. Hier wordt hij kind, waarlijk kind van Juda, kind van Israël. En dan gebeurt er nog meer. Juda biedt zichzelf aan: “Laat Benjamin gaan, ìk zal borg voor hem staan”. Juda wordt hier waarlijk broer.
En hier kunnen we zien wat God met bokken doet! Hij wil ze om doen keren zoals Juda omkeert. Hij maakt schapen van ze, als ze dat tenminste willen. Daarom staat hier de rechterstoel van Jozef en daarom lezen wij in deze weken teksten van oordeel en gericht. Lees het als je zelf onderdrukt wordt gerust als bevrijdend, dat aan jouw onderdrukking een einde zal komen. Maar lees het als je zelf nìet onderdrukt wordt – en volgens mij worden de meesten van ons dat niet – vooral als een vraag aan jezelf. Want de Eeuwige daagt je uit. Hij zet je voor zich, op dit speciale moment waarin je kan veranderen. Om eruit te stappen, te breken en opnieuw te beginnen om voor het leven te kiezen, opnieuw, telkens weer opnieuw. Want alleen zo leer je dit:

slechts het water dat wij te drinken geven
zal òns verkwikken….
slechts het brood dat wij te eten geven
zal ònze honger stillen…..
slechts het gewaad dat wij wegschenken
zal òns bekleden….
slechts de zieke die wij bezoeken
zal òns genezen….
slechts de gevangene die wij verlossen
zal òns bevrijden….

In de Naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.

Amen.