Hoogfeest van Pasen in de Kerk in Langweer, 2016

Voorganger: Aart C. Veldhuizen

M.m.v.: blazers van Muziekvereniging Excelsior uit Ouwsterhaule


Zingen bij de intocht van het licht: Lied 600.

We ontsteken allen ons licht aan de Paaskaars.

Groet en drempelgebed.

Zingen: Lied 632.

Zondagsgebed.

Lezing: Johannes 20:1-10.

Zingen: Lied 630 vers 1.

Johannes 20:11-18

Zingen: Lied 630 vers 4.

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Naar oud gebruik in de kerk vertel ik ieder jaar met Pasen een mop, ook dit jaar. U zat er vast al op te wachten. Het gebruik om met Pasen een mop te vertellen, heet de Risus Paschalis en is in de Middeleeuwen in de kerken ontstaan. Het is bedoeld om de dood uit te lachen. Een mop kijkt anders naar de werkelijkheid, een mop relativeert. En humor bevrijdt, zelfs als het zwartgallige humor is.
De mop van vanmorgen gaat niet over de aanslagen van komende dinsdag. Een grap daar over vind ik hier ongepast. 
Over Cruijff kan natuurlijk wel. Deze las ik ergens op facebook:

Je kunt het niet maken om Cruijff met God te vergelijken,
ik bedoel
hij is best wel goed hoor,
maar hij is natuurlijk geen Cruijff.

Een opmerking met een knipoog is dat. Leuk om over na te denken en om over te reflecteren. Zijn voorletters zijn J.C. en in Barcelona werd hij de verlosser genoemd. Waar zit het hem toch in dat iemands leven van betekenis is, zelfs na diens dood. En wanneer is je eigen leven eigenlijk van betekenis? Er zit ook iets in van de eenvoudige jongen uit Betondorp, van laatsten die de eerste worden, die gewone jongen, geniaal met zijn voeten en met zijn tong, die zo zichzelf is gebleven en zich met zijn eigen zelfverzekerdheid ook inzette voor kansarme jongeren.
Maar de Paasgrap waar ik vanmorgen de preek mee verder wil, gaat over twee nonnen. Hij is me verteld door John Bell, de dichter componist uit Iona, het oecumenisch Keltische klooster in Noordwest Schotland, waarvan we geregeld liederen zingen in de kerk. Luister maar.

Omdat het vandaag Pasen is, mogen twee nonnen van de abt na vele jaren eindelijk eens een keer een wandeling maken buiten de muren van het klooster. Opgetogen gaan ze op weg. Ze kijken hun ogen uit wat er buiten het klooster allemaal te zien is. Ze genieten er van. Af en toe deinzen ze terug als ze zien hoe sommigen gekleed gaan. Dan komen ze bij een lange muur waarop geschreven staat: Naturistencamping.
“Wat zou daar achter die muur zijn?” vraagt de ene non.
“Geen idee”, zegt de andere.
Ze proberen er over heen te kijken, maar de muur is net te hoog.
“Help me eens?” zegt de ene non.
De andere non gaat met haar rug tegen de muur staan en vormt een opstapje voor de ander. Zo kan de andere non net over de muur heen kijken. Ze kijkt goed.
“Wat zie je?” vraagt de non die niets ziet.
“O, allemaal mensen,” zegt de ander.
“Zij het mannen of zijn het vrouwen?”
“Dat kan ik niet zien, want ze hebben geen kleren aan.”

“Dat kan ik niet zien, want ze hebben geen kleren aan”.
Prachtig. De manier waarop wij kijken is bepaald door onze omgeving, door je ervaring, door de beelden in je hoofd waar je een plaatje van hebt.  En die beelden in je hoofd kunnen je voor de gek houden, zeker als je oog in oog komt met iets dat je niet verwacht. 
Zoals Maria Magdalena. Ze staat bij het graf en ziet dat de steen is afgewenteld. Het verwart haar.
‘Nu is ook nog eens zijn steen er af en het graf is leeg’.
Ze holt terug om het tegen Petrus en de andere discipel te gaan vertellen en als op zijn beurt Simon Petrus bij het graf gaat kijken, ziet hij dat de doeken, waarin het lichaam van Jezus was gewikkeld, opgestapeld liggen in een hoek van het graf. Ook hij heeft maar één verklaring. Dit is grafschennis!
Ik kan me de onrust van Maria Magdalena en Petrus maar al te goed voorstellen. Hoe kun je geloven in zoiets als opstanding, als je aan de voet van het kruis gestaan hebt en nu dan ook nog eens ziet dat het graf leeg is? Hoe kun je geloven in een toekomst als er bommen ontploffen in een stad waar je je veilig wist?
Maria Magdalena en Petrus kunnen zich niet voorstellen dat Jezus is opgestaan, net zo min als diepzeevissen zich kunnen voorstellen dat er ook vogels bestaan en dat er ook mensen die op land wonen. Daar hebben ze geen plaatje van. Net zo min als die nonnen: ‘dat kan ik niet zien, want ze hebben geen kleren aan!'

Dat is precies het punt van vandaag. Een opstanding uit de doden kunnen we ons niet voorstellen en een leven na de dood ook niet. We hebben daarvan geen plaatje in ons hoofd. Het kan niet, we hebben het nooit gezien. En daarom bestaat het ook niet, zeggen we. We zien wel andere dingen. En wat zagen we een hóóp andere dingen in de afgelopen week, vreselijke dingen met die aanslagen in Brussel. Is dat ook een zekere blindheid van ons, zoals bij die nonnen? Ik kan me dat niet voorstellen. Maar ik hoop wel dat het zo is, dat wij weliswaar alleen maar het terrorisme zien en nog niet de tekenen van iets nieuws, dingen die toekomst in zich hebben. Ik hoop dat we die nog gaan ontdekken. Ja, misschien zijn wij ook wel van die diepzeevissen die geen benul hebben van wat er in de bomen huist.
Als Petrus op onderzoek uit gaat, niet alleen kijkt, maar ook daadwerkelijk naar binnen gaat om te onderzoeken wat daar aan de hand is, gebruikt Johannes hier een tweede woordje voor zien: observeren, onderzoeken om er een theorie van te maken. Petrus beziet precies hoe het zit, hij ziet de windsels in het graf liggen. Maar het brengt hem niet verder.
Ook wij kunnen de dingen onderzoeken. Zo is dat ook geprobeerd met leven na de dood. Een stervende werd pal voor zijn sterven exact gewogen en direct na zijn sterven nogmaals om zo te kijken of er iets verdwenen is, een ziel of geest zo, dat naar de hemel zou zijn gesprongen. Maar als het gaat over leven na de dood kunnen we onderzoeken wat we willen, we vinden het niet. We hebben daar immers geen beeld voor in ons hoofd. Zeker, je ziet van alles, maar allemaal dingen die niet in de plaatjes passen die je in je hoofd hebt. Je denkt er het jouwe van. Maria Magdalena ziet een leeg graf en ze vreest het ergste. Haar hersenen gaan er mee op de loop. Lijkroof, dat is het woord dat bij haar boven komt. En ze komt zo niet verder. De paniek wordt alleen maar groter.
Weet u,  ik kan u niet de opstanding van Jezus uitleggen. Geen mens kan dat. Net zo min als een leven na de dood. Dat valt buiten onze kennis en daarmee is het aan onze rationele twijfel onderhavig. Geloven en twijfel hebben echter alles met elkaar te maken.
Durven we te twijfelen aan alleen datgene dat we zien? Dat is moeilijk. Dat komt omdat we als die nonnen zijn, en niet begrijpen wat zich nog nooit aan ons voorgedaan heeft.  Denk aan die diepzeevissen waar ik het net al over had. 
Maar er speelt nog iets anders mee. Het verhaal van de opstanding van Jezus is namelijk een mysterie. En een mysterie moet je niet gaan uitleggen, net zo min als je een mop moet gaan uitleggen. Wie een mop gaat uitleggen, maakt de mop stuk. Zo is het ook met de opstanding van Jezus. Als het uitgelegd wordt, snap ik het niet meer. Als het wordt geponeerd als een wetenschappelijk feit haal ik mijn schouders er over op. “Zal wel”, denk ik dan.
Anders wordt het als ik in aan een graf sta of aan een sterfbed en oude woorden uitspreek die me voorhouden dat we zijn geborgen in de handen van onze God, in tijd en eeuwigheid. Die woorden die alles te maken hebben met het mysterie van de opstanding van Jezus, daar kan ik wonen.
De opstanding van Jezus is een mysterie en een mysterie doet iets met je als je het zien wilt. Met dat zien bedoel ik: als je je er aan wilt overgeven. Het is niet bedoeld voor je verstand, het is niet bedoeld om uit te leggen, maar het geeft zin aan je leven. 
Leven met het verhaal van de opstanding van Jezus geeft je leven zin. Want dan is er toekomst, dan gaat het door, dan eindigt het niet met de dood en niet met een grote explosie in een vertrekhal. Dan gaat het verhaal door. De grote vraag van vandaag is dus: durf je de sprong te wagen om je over te geven aan het mysterie dat de dood en het kwaad en de ellende niet het laatste woord heeft? 
Dat klinkt absurd en dat is het ook. Want het kwaad manifesteert zich sterk, lijkt zich dezer dagen sterker te manifesteren dan ooit. Maar het Paasmysterie wijst een andere weg, en geeft daarmee hoop, dat het leven niet ophoudt, dat de weg van Jezus niet is afgebroken, maar springlevend is.
Je overgeven aan dat mysterie is een sprong, een keuze. Het geeft je een nieuwe kans, telkens weer een nieuwe kans, omdat het niet over en uit is maar je verder kunt, telkens weer opnieuw. 
Zo schrijft Johannes: Toen ging ook de andere discipel, die het eerst aan het graf was gekomen, naar binnen, en hij zag het en geloofde.
Hij zag het. Daar wordt een derde woord voor zien gebruikt. Een woord dat dieper klinkt, dat zoiets betekent als door-zien, in-zien. Nu ontstaat er inzicht, als iets dat zomaar van boven wordt geschonken. Midden in de leegte van de Godverlatenheid, in de verwarring van een afschuwelijke kruisiging en daarna ook nog eens van een leeg graf, ontstaat er inzicht.
Heel zorgvuldig gebruikt Johannes dus die drie woorden voor zien. Eerst kijken, wat schrik veroorzaakt, dan onderzoeken, wat de twijfel doet toenemen. En tenslotte ontstaat opeens inzien als een tot dieper inzicht komen. 
Bij Maria Magdalena doet Johannes dat in precies dezelfde volgorde. Ook zij kijkt eerst en schrikt, ze onderzoekt daarna en begrijpt er niets van. Maar nadat de Heer haar naam heeft genoemd, komt ook zij tot inzicht, dat er iets nieuws begonnen is. Maria komt tot het inzicht als haar naam genoemd is. Ze herkent de stem van de Opgestane die haar naam noemt. Dat gaat terug op een diepe ervaring, een visioen misschien wel, wie zal het zeggen, maar het is een visioen dat je vast wel herkent. Want ongetwijfeld ken je die momenten zelf ook dat je diep aangesproken werd. Je kunt niet duiden wat er gebeurde, dat was een mysterie, maar je werd geraakt. En je kon verder. Dàt is Pasen. En zò gaan we de Paastijd in, waarin we ons opnieuw willen laten raken door woorden van de Opgestane. Zeker, soms met een bonzend hart, maar tegelijkertijd vanuit het besef dat ons wordt aangezegd dat de dood overwonnen is, dat de haat het niet wint, en dat Gods liefde en daarmee de liefde van mensen van eeuwigheid is. Springlevend. Amen.

Zingen: Lied 650.

Voorbeden, na elke voorbede zingen we Lied 367f.

Stil gebed.

Onze Vader.

Collecte

Als ieders kaarsje weer brandt, zingen we Lied 634.

Zegen.


 



website van Aart C. Veldhuizen, www.aartveldhuizen.nl


Cookies helpen ons onze services te leveren. Door onze services te gebruiken, geeft u aan akkoord te gaan met ons gebruik van cookies. OK