9 oktober 2011
Grote of Martinikerk Sneek
Voorganger: ds Aart C. Veldhuizen
Organist: Dirk S. Donker

1e lezing: Jesaja 25:6-9.
2e lezing: Matteüs 22:1-14.

In mijn witte jurk…..

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Een toga vond ik onzin. Als ik al dominee zou worden, zou ik gewone kleren aan hebben als ik voorging in diensten. Dat stond voor mij als een paal boven water. Geen deftig zwart gewaad en geen hippe priesterachtige liturgisch verantwoorde witte gebedsmantel, maar normale kleren. En zo deed ik het dus ook en ging ik voor in gewone kleren.
Nou ja, ietsje netter dan. Een broek, een jasje, een net overhemd en een stropdas. Want om nou in je spijkerbroek en polo’tje hier op de kansel te staan, dat zou toch te vreemd gevonden worden.
En toen zei één van onze kinderen op een dag waarop ik me weer eens netjes had aangekleed:
“Moet jij vandaag preken pap?”
“Nee”, antwoordde ik, “hoezo?”
“Nou, omdat je een pak aan hebt.”
Het zette me tot denken. Ik wilde als voorganger in normale kleren voorgaan, maar trok voor de gelegenheid toch steeds een pak aan. Toen dacht ik: als ik dan toch iets anders aan trek als ik voorga in diensten, laat het dan iets zijn dat betekenis heeft. Zo ben ik gekomen aan dit gewaad. En nu werkt het andersom. Ik merk dat die mantel me draagt, omdat deze mantel me herinnert aan waar de mantel voor staat.

De mantel is het gewaad van het Koninkrijk. Het is ons aller mantel, het gewaad van de gelovige. U draagt dat gewaad net zo zeer als ik. “Wie overwint zal bekleed worden met witte klederen” klinkt in Openbaring en dat staat op één lijn met wat Jesaja noemt ‘de mantel der gerechtigheid’.
Dat zijn hoge woorden. Overwinnen. Gelovig zijn. Mantel der gerechtigheid, dat heeft ook nog eens te maken met gerechtigheid doen. Is dat wel werkelijk ons gewaad?  Ja, dat is ons gewaad, want we zijn allemaal uitgenodigd op de bruiloft van de HEER, geroepen om te komen, genodigd vanaf de pleinen, wij goeden en wij kwaden. En daarmee zìjn onze kleden wit en wòrden we getrokken tot de hoogte van het feest van de HEER. Tenminste, als je komt. Als je de HEER volgen wilt. De HEER volgen is niet vrijblijvend. Het moet dan wel ergens naar toe. Het leidt tot groeien in medemenselijkheid en telkens weer nieuw mens worden.

Zo horen we het verhaal dat Jezus vertelt. Eén mens zat aan bij het feest, maar had geen bruiloftsmantel aan. Dat kan niet. Want als je genodigd bent, dan is een bruiloftsmantel je gewaad, per definitie. Hij moet het dus uitgetrokken hebben. Dat is een daad van obstructie. Het is een daad die zegt: “Dat rijk van God en dat voortdurend mezelf een spiegel voorhouden, dat medemens zijn, dat werken aan barmhartigheid in deze wereld, ik heb er genoeg van. Ze bekijken het maar!”
Het is een daad van verzet dat het feest verknalt. En daarom is de koning zo hard en wordt deze mens buiten geworpen, buiten in de duisternis.

Maar wacht even. Hier sta ik, in mijn witte mantel. Ik hoor mezelf vertellen over een mens die zijn bruiloftsgewaad heeft uitgetrokken, die niet langer deel wil nemen aan het Koninkrijk van God, die niet langer mee wil werken aan het goede in deze wereld. Hij weigert, hij gelooft er geen bal meer van dat het ooit wat wordt in deze wereld. Hij zingt mee met het grote refrein van “het is niks en zal nooit wat worden”. Hij heeft het allemaal opgegeven en wil niet langer werken aan zichzelf, tenminste niet als dat betekent dat hij moet veranderen en wil al helemaal niet opkomen voor medemensen en recht en vrede. Hij wordt er uit gegooid, waar het geween is en het knarsen van de tanden.

En ik sta dit te vertellen, hier in mijn witte jurk. Maar dan moet ik ook eerlijk zijn en u zeggen dat ik die momenten van obstructie ook ken. De vertwijfeling, het verlangen dat wegebt, omdat ik zoveel zie mislukken en mezelf fouten zie maken. Mag ik de gelijkenis ook zo lezen dat dàt in mij wordt buiten geworpen? Dat die kant van mij er uit wordt gegooid, in de buitenste duisternis?

Ik zie mezelf daar staan. Buiten de feestzaal. Mijn witte toga is gescheurd en vuil geworden. Is het nu voorgoed over en uit? Zo kun je het lezen. Ik bespeur hierover in de Bijbel een dubbelheid, twee elkaar tegensprekende boodschappen.
Hier en in veel uitspraken elders staat dat het onherroeplijk is. Voorgoed over en uit. Einde verhaal voor die mens die obstructie pleegt. Geween en tandengeknars resten er dan. Zulke lui gooit God er uit. Dat heeft iets gruwelijks en roept weerzin bij me op. Maar tegelijkertijd heeft het ook iets beloftevols: dat dàt niet de weg is die de HEER verder wil gaan, en dat die kant in ons weg wordt gebannen, dat de HEER een andere werkelijkheid voor ogen heeft, waar dwarsliggers niet in passen. Ja, als de verhalen ons vertellen dat het kwaad er uit wordt gegooid, heeft dat zeker ook iets om je over te verheugen.
Maar tegelijkertijd is er in de Schriften ook die andere boodschap, dat het niet over en uit is met de ik die wordt buiten geworpen. Ik bespeur daar iets in van deze gelijkenis. Tweemaal valt namelijk het woord ‘mens’. Een ‘mens’, een ‘koning’ richt een bruiloft aan…. en die koning ziet een ‘mens’ die geen bruiloftskleed aan. Dat is opmerkelijk. Een wonderlijke gelijkschakeling van de koning en die bruiloftsganger die het maar niet langer wil, allebei zijn ze mens. Ik zie daar iets in van de gelijkschakeling tussen God en mens, dat God neerbuigt en zich gelijkstelt met U en mij. En daarom waag ik het er op om de gelijkenis af te maken.

Daar sta ik. Buiten de poort, buiten de feestzaal, buiten geworpen. Ik ellendig mens met al mijn somberte. Het is hier stil. Gek is dat. Ik had er hier eigenlijk wel meer verwacht, want ik spreek nogal veel mensen. Ik ben toch niet de enige die het wel eens op wil geven?
En terwijl ik daar zo sta, komt Hij, de koning. Hij komt naar buiten en Hij trekt zijn feestgewaad uit.
“Hier”, zegt Hij, “trek het aan en ga naar binnen. Want ook jij mag opnieuw een ander mens worden en aan de toekomst toebehoren.”
“En U dan?” zo vraag ik, “het is toch het feest van uw zoon?”
En Hij antwoordt: “Dat jij dit vraagt, zegt mij dat er wel degelijk iets van de nieuwe mens in je is.
Maar mijn weg is buiten, mijn weg is altijd buiten, opdat mensen zich omkeren en meedoen aan het Rijk van vrede dat Ik voor ogen heb.”
Opeens besef ik dat het dáárom is dat ik hier buiten niemand zag. Die anderen zijn ook al teruggehaald. En juist dàt is het wat ons kracht geeft en waaruit we mogen werken. Dat de HEER ons weer  ophaalt als wij het allang hebben opgegeven.

En zo zijn we hier bijeen, binnen, in onze witte kleren, u symbolisch en bij mij als voorganger zelfs letterlijk. We zijn hier als mensen waar een belofte voor klinkt en als mensen die ook zelf een belofte zijn, omdat God zich naar hen toebuigt en ons zo leert om in zijn Naam hetzelfde te doen en zo lichaam van Jezus Christus te zijn.

Lof zij U Christus, in eeuwigheid.
Amen.

​Terug naar alle preken


website van Aart C. Veldhuizen, www.aartveldhuizen.nl


Cookies helpen ons onze services te leveren. Door onze services te gebruiken, geeft u aan akkoord te gaan met ons gebruik van cookies. OK