Een kleine Marialogie – Aart C. Veldhuizen, advent 2010.


Aanleiding.

Wie is Maria eigenlijk en wat is haar rol in bijvoorbeeld het Kerstverhaal? Tijdens mijn fietsvakantie in de afgelopen herfstvakantie fietste ik in het Limburgse land een half uur op met een 70-jarige Limburger die net naar de kerk was geweest om zoals hij zei de Moeder Gods te aanbidden. De opmerking bevreemdde me, net als al die bidkapelletjes voor Maria langs de route. Toch voelde ik de aandrang om voor zo’n kapelletje halt te houden en te bidden, wat ik uiteindelijk dan ook deed. Al was dat een kapel waarin Jezus stond afgebeeld[1].

In een theologisch essay dat ik vorig jaar schreef voor de KPV-training gaf ik aan geïnspireerd te zijn door de lofzang van Maria. Opvallend dat ik bij Maria uitkom. Ik heb vreemd genoeg de rol van Maria altijd als gering gezien. Zo herinner ik me een bespreking van een preek van mij uit de periode dat ik nog geen predikant was waar ik dat heel sterk deed. De medestudenten vielen er over heen.

Nog nooit heb ik echt goed gekeken naar de rol van Maria in de Schriften. Mede met het oog op de komende kersttijd en de avonddienst van 12 december (die later niet door bleek te gaan) nam ik een paar dagen de tijd om wat nader naar Maria te kijken. Voor Maria moeten we natuurlijk vooral in de Katholieke traditie zijn waarin Maria onder andere de rol speelt van de Vrouwe van Altijddurende Bijstand. In dit artikel wil ik nagaan welke betekenis Maria voor mij heeft en welke Bijbelstheologische lijnen er te trekken zijn. Eerst trek ik wat lijnen waarvan ik gebruik maak van een artikel van Willien van Wieringen[2]. Aansluitend doe ik verslag van een eigen onderzoekje naar de rol van Maria in de vier evangeliën en de rest van het Nieuwe Testament.

 

1. Een eerste Bijbeltheologische aanzet uit Katholieke kring.

In de Katholieke traditie bestaat een interpretatie van Maria waarin je vanuit haar kunt kijken naar het Oude Testament en naar het boek Openbaring. Vanuit Maria bezien kom je telkens weer Maria-figuren tegen: in Eva (pre-positie van Maria), maar ook in Openbaring (post-positie van Maria). Eenvoudiger gezegd: vanaf het eerste (Eva) tot aan het laatste Bijbelboek (de Vrouwe in Openbaringen) kom je Maria-gestalten tegen, met ‘onze’ Maria in het midden.

Ook andere lijnen zijn er te trekken. Er loopt een lijn van Eva in het paradijs in dialoog met de slang (Genesis 3) naar de zwangere vrouw in gevecht met de draak en de bruid van God in het boek Openbaring. In deze en andere verhalen gaat het telkens om een vrouw die gekenmerkt wordt door zwangerschap en baren en de bijzondere rol van God daarin, met telkens andere details.

Het geboorteverhaal van Jezus staat in één lijn met eerdere bijzondere geboorteverhalen. Hagar, Saraï, Rebekka, Rachel, de moeder in het wat onbekende verhaal van de verwekking van Simsom (Richteren 13) en Hanna zijn allen onvruchtbaar en krijgen toch een kind op wonderlijke wijze. Dat heeft in het evangelie zijn echo in het verhaal van Zacharias en Elisabeth.

De bevruchting van Maria komt uit een andere lijn voort: die van de bijzondere daad van JHWH. In de onvruchtbaarheidsverhalen van het Oude Testament staat telkens te lezen: “En JHWH opende hun schoot”. JHWH speelt een grote rol in de verhalen. Hij krijgt hier en daar zelfs trekken van een echtgenoot en zij als bruiden van JHWH. Waar dat misschien toch te veel is gezegd is duidelijk dat God de vrouwen gedenkt en hun schoot opent en soms zelfs bevrucht, zoals bij Maria. In die zin is de katholieke traditie om Maria de bruid van God te noemen niet eens zo heel vreemd. Dat komt toch in de buurt van “de moeder Gods” waarvan de 70-jarige Limburger sprak.

 

2. De rol van Maria in de vier evangeliën en de rest van het Nieuwe Testament.

 

Maria in Markus: gekenmerkt door afwezigheid.

Maria speelt in het evangelie naar Markus geen enkele rol. Ze wordt een keer aangewezen als de moeder van Jezus. Direct daarna noemt Jezus allen die de wil van zijn Vader doen zijn moeder en broeders. Op een andere plaats wordt Jezus getypeerd als de zoon van de timmerman en van Maria. Maria speelt dus geen rol in dit oudste evangelie. Het is boeiend om te zien hoe Matteüs en Lukas, die beiden Markus als voornaamste rol hebben gebruikt, ieder op eigen wijze Maria meer aandacht geven.

 

Maria in Matteüs: uit haar is geboren. En dat is het dan ook.

Matteüs begint uiterst merkwaardig met een geslachtsregister dat op Jozef uitloopt, de man van Maria. Maria is de vijfde vrouw die daar geduid wordt. Allen zijn vrouwen aan de rand en met elke van hen is een dubieuze geschiedenis verbonden. Staat Maria in die lijn? Klaarblijkelijk, want het geslachtsregister loopt op Jozef uit, “de man van Maria, uit wie Jezus geboren is, die Christus genoemd wordt”. Het merkwaardige zit er in dat uitvoerig het geslachtsregister van Jozef wordt weergegeven waarna verteld wordt dat Jezus niet door Jozef is verwekt. Je vraagt je af waarom die geslachtsregister dan vermeld staat. Het is om de gift te benadrukken. Jozef wordt zo de vader van dit kind, via Maria, dat door de Geest van God verwekt is. Alle aandacht valt op Jozef, die als het ware een geadopteerd kind krijgt. Dat klopt met het feit dat de verhalen van de geboorte van Jezus door Matteüs verteld worden met weinig aandacht voor Maria en vooral voor Jozef, al is diens rol na het tweede hoofdstuk ook uitgespeeld.

In Matteüs 1:18-25 wordt opnieuw nadrukkelijk vermeld dat niet Jozef de vader is van het kind van Maria. “Wat uit haar verwekt is, is uit de heilige Geest”. Er wordt daarmee verwezen naar Jesaja 7:14. Pikant detail is dat er in de oorspronkelijke hebreeuwse tekst van Jesaja 7:14 gesproken wordt van een jonge vrouw. De Griekse vertaling van Jesaja (de Septuagint) vertaalt dit woord echter met maagd en door deze slordige vertalers is het woord maagd  ook in de oorspronkelijke tekst van het evangelie terecht gekomen. Dat leidde mogelijk zelfs tot het dogma van de maagdelijke geboorte.

In Matteüs 2 komen de wijzen. Ze zien het kind met Maria. Jozef is hier van het toneel afgevallen en dat past bij zijn rol: hij droomt immers vooral in Matteüs. In dromen hoort Jozef in 13-23 dat er gevlucht moet worden naar Egypte en later daarvan weer terug kan komen.
Maria treedt in de eerste hoofdstukken van Matteüs nergens handelend op. Ze is de moeder van Jezus en wat in haar verwekt is, is uit de heilige Geest (1:20) en is daarin vooral degene is waarmee gedaan wordt.

In het restant van het boek Matteüs verdwijnt ze vervolgens bijna helemaal uit beeld. In 12:46 komt ze weer op als Jezus op zijn moeder en broers wordt gewezen, maar waar Jezus vervolgens al wie de wil van zijn Vader doet zijn moeder en zijn broers noemt. In 13:46 wordt nog een keer gezegd dat Maria Jezus’ moeder is, een opmerking die niet bepaald complimenteus bedoeld is. Verder schittert Maria door afwezigheid. Zelfs bij kruis en opstanding is zij er niet bij. Voorgoed van het toneel verdwenen. Er komen andere Maria’s voor in de plek: Maria van Magdala en Maria de moeder van Jakobus en Jozef.


Maria in Lukas – het vrome meisje dat maar even moeder is.

Matteüs geeft Jozef alle aandacht, Lukas doet het omgekeerde: bij hem draait het aanvankelijk allemaal om wat Maria meemaakt. Het eerste bedrijf in het eerste hoofdstuk van Lukas handelt over de aankondiging van de geboorte van Johannes. Daarna komt de aankondiging aan Maria aan bod. In tegenstelling tot Matteüs zet Lukas dus niet bij Jozef in maar bij Maria. Hier Maria de handelende persoon en staat Jozef ver op de achtergrond. Er worden in Lukas 1:26-38 hoge woorden tot haar gesproken: begenadigde, de Heer is met u, gij hebt genade gevonden bij God. De woorden die vervolgens over haar zoon worden gesproken, zijn nog veel hoger. De heilige Geest zal over haar komen en haar overschaduwen. Als Maria vervolgens op weg gaat naar Elisabeth, prijst Elisabeth haar in hoge mate: “Gezegend zijt gij onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot”, “moeder van mijn Heer”. Haar kind springt zelfs op in haar schoot. Aansluitend zingt Maria haar lofzang. In dat Magnificat zingt Maria niet hoog over zichzelf, maar over wat God aan haar gedaan heeft. Maria verdwijnt nu een tijdje van het podium, want eerst wordt er nu van de geboorte van Johannes de Doper verteld. Daarop volgt de geboorte van Jezus. Maria gaat met Jozef mee[3] naar Bethlehem en baart haar(!) eerstgeboren zoon. Als de herder komen vinden ze Maria en Jozef (let op de omgekeerde volgorde) en het kind. Iedereen verbaast zich over wat de herders tot hen zeggen, maar “Maria bewaarde al deze woorden, die overwegende in haar hart”. In 2:34 is het Maria die speciaal door Simeon wordt toegesproken. Maria wordt hier geschetst als een jonge vrouw die meer is dan het gewone. Specialer. Heiliger. En vromer. Lukas 2:48-49, waar de 12-jarige Jezus tegen Maria zegt: “wist u dan niet dat ik bezig moet zijn met de dingen van mijn Vader?” valt er dan ook hard in. Maar opnieuw is het Maria die al deze woorden bewaart in haar hart. Daarmee lijkt haar moederschap toch ten einde. Zeker, in Lk8:20-21 wordt ze nog een keer genoemd door de schare, maar Jezus lijkt geen aandacht voor haar te hebben. Ook bij het kruis en het graf komt ze niet voor.


Maria in Johannes – moederband.

De verhalen over Jezus’ geboorte en kinderjaren laat Johannes achterwege. Mogelijk zijn die in zijn ogen al afdoende beschreven, maar nog waarschijnlijker is dat hij ze gewoon niet interessant vindt. Maria komt wel in zijn boek voor, en op een heel andere wijze dan in Markus, Matteüs en Lukas. Gek genoeg wordt Maria in het Johannes-evangelie nergens Maria genoemd. Veruit de meeste vrouwen in het Johannes-evangelie heten Maria, behalve de moeder van Jezus. Die is gewoon moeder.

Johannes 2 vertelt het verhaal van de bruiloft te Kana en dat geeft ons de aanblik van een moeder die betrokken is bij het leed van een ander. Haar zoon heeft ze blijkbaar heel hoog staan. Ze wekt de suggestie te denken dat Jezus de ceremoniemeester helpen kan. In Joh.6:42 vinden we gewoon de aanduiding van Jezus, “wiens vader en moeder wij kennen”. Ontroerend is 19:25-27. Maria staat er bij het kruis en Jezus geeft haar een andere zoon: de geliefde discipel. Haar lijn in dit evangelie stopt zodra die discipel Maria bij zich in huis neemt en we vinden ook hier haar dus niet terug bij het graf.

Johannes kiest dus een totaal andere Maria dan Matteüs en Lukas. Bij Matteüs is Maria vooral een (wat oneerbiedig gezegd, maar toch:) doorgeefluik. Bij Lukas is ze het vrome meisje dat maar even moeder is. Johannes schetst haar echter vooral als moeder, boordevol verwachtingen van haar zoon  met wederzijdse blijken van liefde en trouw tot het einde.


Maria in de rest van het Nieuwe Testament.

In Hand.1:14 wordt Maria als moeder van Jezus nadrukkelijk genoemd. Ze lijkt er tot de brede kring van de discipelen te behoren. In het boek Openbaring zijn er gestalten die sterk aan haar doen denken en op haar terugslaan. Ze komt daar op als éen van de drie vrouwen die er in voorkomen: de hoer, de moeder en de bruid. Willien van Wieringen[4] noemt hen archetypen:“God gedraagt zich als een bruidegom bij de wonderlijke concepties (……) Alle betrokken vrouwen zijn eerbare vrouwen, zij houden zich verre van hoererij. God gedenkt hen en maakt hen bij wijze van spreken tot zijn vrouw door een rol te spelen in hun zwangerschap. Hun moederschap is van de zuiverste vorm. De symboliek van zuiver moederschap keert terug in Openbaring. De zwangere vrouw staat aan de hemel, omkranst met twaalf sterren, de zon en de maan zijn aan haar onderhorig. Zij wordt belaagd door de draak die haar en haar boreling wil vermorzelen (Openbaring 12; vergelijk ook het bevel van Farao in Exodus 1 en dat van Herodes in Matteüs 2). Het kind wordt direct na de geboorte in Gods veiligheid gebracht, terwijl de moeder naar de woestijn vlucht. Wanneer de draak haar daar in de gedaante van een slang (vergelijk Eva en de slang in Genesis 3) weer te na komt, wordt ook zij in veiligheid gebracht. Deze hemelvrouw is de personificatie van het volk Israël. Israël is, zoals we lezen in het Oude Testament, de bruid van JHWH. Deze Vrouwe is de moeder van de Messias en van de Kerk. Ze lijkt op de Bijbelse Maria, maar is grootser, kosmischer, meeromvattend.”


3. Wie is Maria dan?

Als op zoveel punten leggen de afzonderlijke Bijbelboeken verschillende accenten en trekken ze andere lijnen. Zo dus ook bij Maria. Een afgeronde Marialogie is vanuit de verschillende Bijbelboeken niet mogelijk. Ik zie er drie:

1. In Openbaring en Lukas zou je Maria de personificatie van Israël kunnen noemen. Als Jezus geboren wordt, wordt Jezus in en uit Israël geboren. Een vroom Joods meisje van eenvoudige afkomst over wie de Geest van God komt, uit wie Jezus wordt geboren (Matteüs) en die maar even moeder is (Lukas) en die later tot de discipelkring behoort (Handelingen)

2. In Matteüs is het meer Jozef die je de personificatie van Israël zou kunnen noemen: de trouwe man aan wie door een goddelijk ingrijpen een kind wordt toegevoegd. Maria is er eigenlijk slechts een middel.

3. In Johannes speelt Maria de moeder van Jezus die met en met wie haar zoon een bijzondere band onderhoudt (Johannes).

Toch zijn er wel gemeenschappelijke lijnen te trekken. Jezus’ weg gaat verder. Ieder die doet de wil van zijn hemelse Vader is zijn moeder, broer en zuster. Die zin, die op verschillende manieren als enige gedeelte over Maria in alle vier de evangeliën tegen komt, zegt alles. Als kind van Maria wordt Jezus zoon van God genoemd, opdat ieder die de wil van zijn hemelse Vader doet aan hem verwant is. Als mijn conclusies juist zijn, hebben we in Maria (en Jozef) dus met Israël te maken. Geboren uit de maagd Maria is dan zoveel als geboren worden uit het volk waarmee God een nieuw begin wil maken. Zij staat in de lijn van de vele moeders die hun boreling te danken hebben aan een speciale ingreep van Godswege. Maar er is wel een verschil: zij is niet onvruchtbaar. Integendeel: ze is één en al vruchtbaarheid. Maar nog wel maagd. Wat een prachtig beeld voor Israël (en ook voor de kerk trouwens) is dat. Maagd. Dat is: boordevol potentie die van Godswege bevrucht wordt. Als dat gebeurt, wordt het Kerst, Pasen en Pinksteren op één dag.


Aart C. Veldhuizen, Sneek.



[1] Zie http://domineefietst.webklik.nl/page/sneek-maastricht-oktober-2010

[2] Interpretatie 2008.

[3] Volgens Lukas komen ze uit Nazaret en vanwege de inschrijving onder keizer Augustus in Bethlehem aan. Volgens Matteüs wonen ze daar al lang in een huis.

[4] Interpretatie juli 2008.


website van Aart C. Veldhuizen, www.aartveldhuizen.nl


Cookies helpen ons onze services te leveren. Door onze services te gebruiken, geeft u aan akkoord te gaan met ons gebruik van cookies. OK