Zondag 1 februari, Grote of Martinikerk Sneek.
Voorganger: ds Aart C. Veldhuizen. Organist: Dirk S. Donker.

1 Samuël 15 – de ‘heilige oorlog’ die Saul voeren moet.

Gesprek met de kinderen:

Kinderen:
-        naar boven kijken in de kerk, wat is er allemaal voor moois te zien?
-        en als je ’s avonds naar boven kijkt? En ’s nachts?
Daarover een gedichtje van Annie M.G.Schmidt:

Er was een regenworm in Sneek
die altijd naar de sterren keek,
en fluisterde: hoe schoon, hoe schoon!
Zijn moeder zei: Doe toch gewoon,
kijk naar beneden naar de grond,
dat is normaal, dat is gezond,
kijk naar beneden, zoals ik.

En toen? Toen kwam de leeuwerik!
Het wormpje, dat naar boven staarde,
zag hem op tijd en kroop in d’aarde,
maar moe die naar beneden keek,
werd opgegeten (daar in Sneek).

Dus doe nooit wat je moeder zegt,
dan komt het allemaal terecht.

Het lijkt dat het gedichtje zegt dat je nooit naar je moeder moet luisteren, maar dat is niet zo.
Het gedichtje is net zoals verhalen in de Bijbel. Het zegt wat anders. Het zegt: “Kijk niet alleen naar de grond, maar kijk naar de mooie dingen”. Een gedichtje en verhalen zeggen soms iets anders dan wat je denkt. Daar moet je over nadenken. Dat doen we in de kerk met de verhalen uit de Bijbel.

1e lezing: 1 Samuël 15:1-33.
2e lezing: Markus 1:21-28

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

De aanleiding voor deze preek was een droom een paar weken terug. Ik droomde dat ik in ons vroegere huis in Spijkenisse zat. Ik zat in de grote leren draaistoel en draaide de grote leren rug naar het raam. De rugleuning kon dan mooi de kogels tegenhouden. Naast mijn stoel lag een Kalasjnikow en ik aarzelde of ik de veiligheidspal aan of uit moest zetten. Want aan de ene kant was er de dreiging van aanslagen, maar aan de andere kant speelden onze kinderen om me heen.
Toen ik wakker werd, was ik geschokt. Wat is dat toch, dat ik, die altijd van het gebroken geweertje was, droomde van een automatisch geweer naast mijn stoel? De droom heeft me aangezet om deze preek te maken over de ‘heilige oorlog’ die koning Saul moest houden, die we lazen uit 1 Samuël 15.

Als niet alle djihadisten waren gedood, maar er eentje gevangen was genomen, hadden we hem voor de rechter kunnen zien staan.

Hij staat rechtop, blijkbaar nog altijd overtuigt van zijn gelijk, maar toch wat kwetsbaar nu hij geen Kalasjnikow meer in zijn handen en geen bivakmuts op zijn hoofd heeft. We kijken toe. Is dit één van die mannen die cartoonisten en een politieagent in koelen bloede doodschoot? Hoe kan een mens zo ver komen.
“U vraagt waarom ik de aanslagen heb gepleegd? Omdat het moest.”
De rechter zucht. Hij kent het riedeltje ondertussen wel. Djihad, heilige oorlog, Allah wil het. Maar als de verdachte begint te vertellen, raakt hij toch geboeid, luister maar:
“Meneer de rechter, mijn traditie en mijn geloofsopvattingen gaan terug op die van u. Tenminste, als u christen bent. Want ook in uw heilige boek staan verhalen over heilige oorlogen. Saul moest immers ook zoiets doen. Saul moest optrekken tegen Amalek en iedereen van Amalek doden, mannen en vrouwen, kinderen en zuigelingen, runderen en schapen, kamelen en ezels Leest u het maar na, edelachtbare, in 1 Samuël 15, het staat er echt! Saul moet het volk met de ban slaan. Al hun bezittingen moesten worden vernietigd, gewijd aan de HEER. Dan ben ik een stuk minder ver gegaan. Niet heel het volk en niet al hun bezittingen, maar alleen de cartoonisten en hun krantje en een stuk of wat in de weg lopende agenten.”

Ja, dat zou hij kunnen zeggen, als hij nog leefde. En als hij belezen was. Want houdt u vast, het is inderdaad waar: het hele idee van de Djihad[1] komt uit de Bijbel, uit verhalen als die van 1 Samuël 15, en daar heeft de Koran het dan ook vandaan. De ban die de HEER over Amalek uitsprak in het gedeelte dat ik voorlas, en die Saul hier moet uitoefenen, is een heilige oorlog. En de redenering is in feite hetzelfde als de opvatting van de djihadist: het gaat om een volk of bezittingen die op aarde haar nut verloren hebben, om een volk dat het voorgoed verbruid heeft. Als er staat dat God het slaat met de ban, roept God koning Saul op om alles en iedereen van dat volk te doden. Op aarde kon het niet meer dienen, maar bij God wel. Zo zou het buit van de Eeuwige zijn.
Hoe hard het ook klinkt, in feite is dat wat die idioten in Parijs deden. Zij waren ervan overtuigd dat wat de cartoonisten deden, niet kon. Sterker nog, ze waren ervan overtuigd dat God hen opriep om hen te doden. Waarom? Uit wraak? Nee, niet uit wraak. Maar om de slachtoffers aan God te wijden. Op aarde waren ze in hun ogen onrein en nutteloos geworden. Bij God zouden ze zijn buit zijn, Gods oorlogsbuit. En daarmee zouden ze God grootmaken. En daarom riepen ze ook: “Allah akbar”. Het doden is dus een ritueel, hoe wrang en absurd het ook klinkt: als je het zo bekijkt had het wat van een viering, een rituele slachting die afgesloten werd met: “Allah akbar”. God is groot. Want in hun gedachten werd God groot gemaakt met deze moordpartij, omdat deze mensen het voorgoed verbruid hadden.
Begrijp me goed: het gaat me er niet om de aanslagen te vergoeilijken. Integendeel. Maar het gaat me er vanmorgen wel om hoe wij in onze traditie zo’n Bijbelgedeelte waar wordt opgeroepen tot moord moeten lezen. Want inderdaad: de Bijbel kent veel verhalen waarin wordt opgeroepen om te doden. Meer nog dan de Koran. Het lijkt er dus op dat de meerderheid van de Nederlanders gelijk hebben, als ze zeggen dat religie voornamelijk kwaad voortbrengt. Walgelijk. Maar vanmorgen, zo’n drie weken na die aanslagen, gaat het me er niet om opnieuw te zeggen dat het walgelijk en absurd is - dat is het wel – maar om ons te bezinnen op teksten in de Bijbel die ook tot moord lijken op te roepen. Ik wil u duidelijk maken hoe we zulke Bijbelteksten moeten lezen en hoe niet. Want laten we wel zijn, als de djihadist voor de rechter komt te staan, staat hij in goed gezelschap. Want naast hem staat Saul.

Jazeker, naast de djihadstrijder staat koning Saul in de beklagenbank. De aanklager trekt alles uit de kast: “Koning, u wordt aangeklaagd wegens oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide. U heeft een compleet volk uitgeroeid, mannen, vrouwen, kinderen, zuigelingen, zelfs al het vee. Daarmee bent u schuldig aan oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide.”
Saul staat gebogen. De eens zo lange man die met kop en schouders boven iedereen uitstak, is een gebogen man geworden, alsof hij niet alleen het leed dat hij zelf heeft aangericht maar het leed van de hele wereld met zich meedraagt.

Zijn er verzachtende omstandigheden? Nou, de vijand, Amalek, is niet de eerste de beste. Al tijdens de reis door de woestijn bij de uittocht uit Egypte, zo gaat het verhaal, viel Amalek de achterhoede van het volk aan[2]. De zwakken en zieken en veel vrouwen en kinderen werden door hen in de pan gehakt. Het is dat Mozes het tij kon keren in dat wonderlijke verhaal waarin hij zijn armen omhoog hield - zo lang hij zijn armen omhoog kon houden won het volk Israël – anders was dat meteen al het einde van het volk geweest. En ook later heeft Amalek, vaak samen met andere volkeren, voortdurend Israël aangevallen.

Het maakt weinig indruk op de aanklager. “Die aanval van Amalek is honderden jaren geleden, meneer. Dat kun je hen nu niet meer aanrekenen. Wij gaan toch ook niet alsnog de Romeinen bestrijden, omdat ze ons meer dan 1500 jaar hebben willen bekeren met de leus: ‘bekeer je tot het Christendom of ik hak je kop er af?’ En de Hollanders vallen ons toch ook niet meer aan omdat onze Grutte Pier hen toen een kopje kleiner heeft gemaakt? Bovendien staat die aanval van Amalek - wanneer hij het volk zou hebben aangevallen in de achterhoede - in de intochtverhalen van het volk Israël uit Egypte en het is voor Bijbelwetenschappers sterk de vraag of die wel zo betrouwbaar zijn overgeleverd. Maar ook al zou dat reden zijn voor een oorlog: ook in oorlog gelden wetten en regels. En die heb u heftig overtreden. Hoe hebt u dat toch kunnen doen?”
De aanklager richt zich tot Saul. Saul aarzelt of hij dit wel zeggen mag. Dan stamelt hij: “Het moest van God. Ik moest iedereen en alles doden.”
“Ja precies!” valt de djihadist hem bij, “God wil het, Allah Akbar!”
Saul kijkt bedremmeld. De rechter zwijgt een moment. Het argument ‘God wil het’ kent hij dezer dagen maar al te goed.
“En dat heeft u gedaan? U heeft iedereen uitgeroeid?”
“Nee”, zegt koning Saul, “ik heb Agag, de koning van Amalek, laten leven en hem als gevangene meegevoerd en het beste van het vee meegenomen als oorlogsbuit.”
“Dus Gòd heeft u aangezet tot deze slachtpartij? En die wilde dat u die koning Agag ook nog doodde?”
“Ja”, stamelt Saul die schuldbewust naar de punten van zijn schoenen kijkt.
“Dan daag ik God voor de rechtbank”, zegt de aanklager.

Wat de reden is dat Saul in het verhaal niet iedereen laat doden, maar koning Agag leven laat en het beste van het vee meeneemt, weten we niet precies. Je kunt er twee kanten mee op. Je kunt zeggen dat hij het doet uit eigenbelang en dan is het allemaal makkelijk te verklaren. Saul is dan blijkbaar ook zo’n plunderaar geworden, zo’n Amalekiet, die er een beetje aan verdienen wil en goede sier wil maken met een gevangen koning. Maar er is ook veel voor te zeggen dat hij redeneerde vanuit humanitaire overwegingen.
Zo lees ik dit verhaal. Ik zie in Saul een tragisch figuur, af en toe het spoor bijster, maar geen bruut. Als eerste waarschuwt hij al een ander volk - de Kenieten – voor wat hij gaat doen, zodat zij niet de dupe worden van de heilige oorlog die hij met Amalek moet gaan uitvechten. En koning Agag laat hij leven, net als het beste van het vee, om die door de soldaten straks te laten offeren aan God. Eigenlijk lijkt Saul hier humaner dan God zelf. Opnieuw komt de gedachte op: zou religie en geloof dan inderdaad leiden tot geweld? Het gedeelte is gruwelijk, zeker als Samuël vervolgens koning Agag het hoofd afhakt, alsof hij een aanhanger van Isis is.
God lijkt hardvochtig en onvermurwbaar. Zo ken ik God niet. Een God die gèèn berouw heeft? Een God die mensen gèèn tweede kans geeft? Had hij niet bij de zondvloed zijn wapens als een boog aan de hemel gehangen als teken dat hij de aarde nooit meer zou vernietigen? Is God dan toch gevaarlijk?

Weet u, ik voel behoefte om God te gaan verdedigen, want zo’n God bevalt me niet. Maar daarmee ga ik over de schreef. God laat zich niet verdedigen. En wie zijn wij dat wij dat zouden kunnen. En als er een God is, kan Hij heus zichzelf wel verdedigen. Trouwens: wat weten we werkelijk van God? We hebben geen leer aangaande God geopenbaard gekregen. Dat denken fundamentalisten en djihadisten. Zij kennen God als hun broekzak en dat leidt tot vreselijke daden. Maar we weten niet hoe God in elkaar zit, we hebben alleen een gerucht, een vermoeden dat soms even een diep weten kan worden. We hebben alleen een boek, of beter gezegd, een bundel boeken met een kaftje eromheen waarop het woord Bijbel staat. Boordevol verhalen, waarvan dit verhaal waar Saul de opdracht krijgt iedereen te doden er één is.

Verhalen. Ja, verhalen. En daarmee zijn we bij een heel belangrijke notie. Het heeft de HERE God namelijk behaagd om zich te openbaren in literatùùr, in verhalen. Verhalen met een diepere laag, net als dat gedichtje dat ik voorlas. Niet in keiharde letters. Niet in feiten, maar in verhalen, waarin er een beroep wordt gedaan op je verbeeldingskracht. Het komt er dus op aan dat je ze leest als verhalen, ongeveer net zoals het gedicht van daarnet dat helemaal niet als belangrijkste boodschap heeft dat je nooit naar je moeder moet luisteren. En daarom past het niet om Saul en God, naast de djihadist, voor een gerechtshof te zetten[3]. Het past niet omdat de djihadist in de val is getrapt van de letterlijke lezing. Dat is het gevaar voor alle gelovigen en zeker voor christenen, joden en moslims: te letterlijk lezen. Met letterlijk bedoel ik vanmorgen dat je elke uitspraak voor waar aanneemt, dat je van zo’n tekst van vanmorgen van ‘dood Amalek’ vindt dat je zelf ook je tegenstanders zou moeten doden. Dat brengt mij tot de boute uitspraak: als we de Bijbelverhalen alleen maar in die letterlijke betekenis zouden mogen lezen, is het veiliger om de Bijbel maar te verbieden.
Wie zo leest, heeft geen oog voor het verhaal, voor het feit dat we met literatuur te maken hebben in die Bijbelverhalen waarin zorgvuldig alles wordt verteld zoals het verteld wordt. Een letterlijke lezing is een fundamentalistische lezing, die rechtsom of linksom leidt tot een kalifaat, of dat nu een Islamitisch, Joods of Christelijk kalifaat is, in elk geval een in de ogen voor hen die daarnaar streven een heilsstaat op aarde. En voor de medemensen een hel.
En dat is het probleem. We bereiken geen heilsstaat op aarde. Er zit namelijk een worm in de juttepeer, een wormpje in de appel dat er niet uit te krijgen is. We hebben te maken met de werkelijkheid hier op aarde die een werkelijkheid is van lek en brek, met mensen zoals wij die voortdurend tuimelen tussen goed en kwaad. En wie er toch naar streeft, zelfs als alle motieven op zich oprecht zijn - al heb ik daar eerlijk gezegd bij de djihadisten grote twijfels bij - leidt een geloof of een idealisme tot de dood in de pot: tot een zich verheffen boven de rest, een ongebreideld wij-zij denken, een absoluteren van de eigen mening en uiteindelijk tot moord en doodslag.
Het probleem van de djihadist is dat hij te gelovig is, te religieus. Hij moet het leerhuis in.

Terug naar de ban over Amalek die Saul moest voltrekken.
Het verhaal stamt uit een tijd waarin de mens niet allereerst als een eenling wordt gezien, als een individu die voor zijn eigen daden verantwoordelijk is, zoals in onze tijd, maar als onderdeel van een groep. Daar komt bij dat men het kwaad zag als een soort besmettelijke ziekte. Om te voorkomen dat je in beslag van het kwaad kwam, moest je je regelmatig laten reinigen. Daarvoor waren al die reinigingswetten. Was je eenmaal ècht onrein, dan was je niet meer te redden. Denk aan de melaatse die ‘onrein, onrein’ moest roepen. Het kwaad zag men dus een besmetting waar je niet, of slechts met hoge uitzondering uit kon komen. Vandaar is het dat soms hele families of zelfs stammen of volkeren moesten worden gedood als een eenling van die groep iets vreselijks deed, eigenlijk net zoals bij ons bij de uitbraak van de MKZ-crisis of vogelgriep binnen een bepaalde straal alle dieren moeten worden afgemaakt.
De ban werd dan uitgesproken. Datgene dat op aarde alleen nog maar een bedreiging was en daarmee volslagen nutteloos, moest worden gedood of vernietigd en daarmee gewijd aan de HEER.
Hier betreft het Amalek. En niet alleen hier. ‘Dood aan Amalek’ is een refrein dat je op heel veel plaatsen in de Bijbel tegen komt. Denk aan Haman, de man die in het boek Esther alle Joden wil laten ombrengen. Haman was een Agagiet, zo staat er, een nazaat van de Amalekitische koning Agag. Zo is Amalek in de loop van de Geschriften van de Bijbel een symbool geworden, een figuur die symbool staat voor wat wij nu antisemitisme zouden noemen, voor plunderen, verkrachten, moord en doodslag, voor ISIS, djihadisten en mateloze verrijking, voor onderdrukking, homohaat en nog veel meer. Amalek is de Bijbelboeken ingeschreven als een persoon die symbool staat voor het kwaad.
Het is trouwens lang niet zeker of de oorlog die Saul moest voeren werkelijk gebeurd is. Van dat volk Amalek zijn buiten de Bijbel geen enkele tekstgetuigenissen en ook uit opgravingen is er niets gevonden van een dergelijk volk. Maar of er nu wel of niet echt een Amalek of een volk Amalekieten is geweest, het is in de Bijbelverhalen in elk geval een stijlfiguur. Amalek staat voor het kwaad. En daarmee krijgt de oproep ‘dood Amalek’ een diepe bodem. Het is een oproep om het kwaad te lijf te gaan. Het kwaad dat je om je heen ziet. En – net als met het verhaal van de man met de onreine geest - ook het kwaad in jezelf.
De verteller van de Samuëlboeken vertelt ons deze verhalen over koning Saul omdat het hem gaat over koning David. Het verhaal is veel later opgeschreven, in een tijd dat het volk alles vanuit de puinhopen weer op moet bouwen. In die tijd vertelt de schrijver het verhaal van David om het volk te herinneren aan een toekomst waarin alle antisemitisme, al het kwaad, namelijk heel Amalek, voorgoed verslagen is.
Saul komt er ondertussen wat treurig af. Een tragisch figuur. Saul is degene die in het hele Oude Testament het vaakst de Messias wordt genoemd. Hij is de verworpen koning, de verworpen Messias, zoals ook Jezus de verworpene wordt.
Hoewel, tòch is er een rehabilitatie. Als Saul gesneuveld is, komt een boodschapper dat David vertellen. Ook die boodschapper is een Amalekiet in het verhaal en die wordt door David dan ook gedood. En zo maakt de verteller aan het volk duidelijk: in het rijk van God wordt de tegenstander, het antismitisme, het grote kwaad, waarvoor Amalek symbool staat, voorgoed verslagen. Daarmee leidt dit verhaal, dat zo gruwelijk is, tot grote vreugde.
Wij leven in een tijd als iedere tijd, wij leven in een tijd waarin geweld een telkens terugkerend refrein is. Dat is van alle tijden, altijd al zo geweest en zal ook zo blijven. Het leidt maar al te vaak tot een nog sterkere vorm van wij-zij denken. En een spiraal van uit elkaar gaan tussen volkeren dreigt, tot diepere discriminatie, en dat is niets nieuws, dat gebeurt helaas de eeuwen door telkens weer. Jezus noemt dat in het evangelie barensweeën van iets nieuws, van een mensheid die leert samenleven in vrede en gerechtigheid. En zo worden ook wij uitgenodigd om Amalek te verslaan, het kwaad in ons en om ons tegen te gaan.
Over het kwaad wordt dus de ban uitgesproken. Het kwaad, dat we kunnen missen als kiespijn, en waar we nauwelijks tegenop kunnen en wat we nauwelijks kunnen verslaan dient nergens meer toe. Hoewel? Toch wel, het dient toch nog ergens toe, al durf ik het haast niet te zeggen. Want waar de ban werd uitgesproken over een volk of over voorwerpen die tot niets meer dienden en alleen maar onheil verspreidden, vertelt dit verhaal tegelijkertijd dat dat kwaad en dat onheil door God wordt gewìjd.
Dat is onvoorstelbaar. Als dat waar is en als ik dat mag zeggen, zijn Gods wegen werkelijk ondoorgrondelijk. Dan roept Hij het kwaad tot zich, dat op aarde nergens meer toe doet, en maakt Hij het tot iets wat nu wel weer ergens toe doet: het dient tot buit van de HEER, om de grootheid van God te tonen die de hel verslagen heeft. Zouden dan zelfs de djihadisten en Hitler nu alsnog dienen tot zijn grootheid, nadat de ban hen getroffen heeft? Nee, neem dat niet letterlijk. Het gaat om de symboliek, om de diepere gedachte, om verbeelding, om het aanzeggen dat onze God zelfs het kwaad in zijn hand heeft. Wat er ook gebeurt.

Zo klinkt vandaag de oproep om Amalek te verslaan, en de onreine geesten te verjagen. Daarmee klinkt de oproep om mee te doen met een heilige oorlog, een djihad, en Amalek te verslaan, met huid en haar, om te beginnen bij de onreine geesten in jezelf.
Nee, dat heeft niets met geweld te maken en dat leidt ook niet tot geweld. Want religie is niet de bron voor geweld, tenminste niet waar mensen de Schriften lezen als literatuur waarin God zich heeft geopenbaard. Het leidt tot mensen die waarlijk mens mogen zijn, in het spoor van Jezus van Nazaret. Het leidt tot vrede, tot ware humaniteit, tot Koninkrijk van God.

Zo moge het zijn.

Terug naar alle preken.



[1] Ik heb het niet terug kunnen vinden en daarom ook niet in de preek gezegd, maar is het niet zo dat in onze moderne tijd Saddam Hoessein de eerste was die de religieuze term Djihad van stal haalde en gebruikte voor een ordinaire oorlog, zogenaamd in naam van God? Als iemand dat kan vinden (of ontzenuwen), hoor ik het graag!

[2] Exodus 17:8-17 en Deuteronomium 25:17-19.

[3] In de indrukwekkende film God on trial gebeurt dat – naar een verhaal van Elie Wiesel – overigens wel. Decor is daar het concentratiekamp Dachau. De rabbijn die voor rechter speelt, spreekt God schuldig. “Maar wat moeten we dan doen?” roepen omstanders tot de rabbijn. De rabbijn zegt: “Laat ons bidden”.


website van Aart C. Veldhuizen, www.aartveldhuizen.nl


Cookies helpen ons onze services te leveren. Door onze services te gebruiken, geeft u aan akkoord te gaan met ons gebruik van cookies. OK