Nijland, 27 oktober 2013:  De Farizeeër en de tollenaar.

Niet zo ver hier vandaan is een tuin waar iedereen welkom is. Je vindt er vogels van allerlei pluimage.
Op een dag komt Roze Vogel aanvliegen. Hij komt van ver en heeft van de tuin gehoord. Hier zoekt hij een plek om te wonen. Al snel ziet hij Blauwe Vogel. Hij zegt: “Dag Blauwe Vogel, ik ben Roze Vogel, ik kom van ver. Mag ik bij jou wonen?”
Blauwe Vogel kijkt hem aan. Hij zegt: “Ha Roze Vogel! Welkom in onze prachtige tuin. Hier is plaats voor iedereen. Alleen, je bent zo roze. En een roze vogel in mijn huis, daar kan ik niet aan beginnen.”
Even later ziet Roze Vogel in het gras Groene Vogel naar wormen zoeken. Hij vliegt op haar af en zegt: "Dag Groene Vogel, ik ben Roze Vogel. Ik kom van ver. Mag ik bij jou wonen?”
Groene Vogel fronst met haar wenkbrauwen. Ze zegt: “Ha Roze Vogel, in onze mooie tuin is plaats voor iedereen. Maar uhhh, beter van niet bij mij in huis. Want weet je, je bent zo roze. Mijn kinderen worden geprikkeld van felle kleuren, ze hebben ADHD. Dan worden ze agressief. Nee, vraag maar even ergens anders.”
Roze Vogel zucht, maar hij denkt dat het heus nog wel zal lukken. Al snel ziet hij Gele Vogel. Hij vraagt:

“Dag Gele Vogel, ik ben Roze Vogel. Ik kom van ver. Mag ik bij jou wonen?”
Maar ook Gele Vogel reageert niet leuk. Hij zegt: “Welkom in onze tuin waar iedereen mag wonen. Maar wat ben jij ontzettend roze. Zo kun je niet bij ons komen hoor. Kun je je niet om laten schminken?”

Roze Vogel denkt er even over na. Om laten schminken? Hij heeft gehoord dat ze dat ook met de Zwarte Pieten willen doen. Maar die zijn toch zwart? Mag dat dan niet of zo? En hij is zelf roze, moet hij zich ook om laten schminken? Nee, dat wil hij niet. Hij is wie hij is en hij wil zich niet veranderen. Je kunt toch niet zomaar een andere vogel worden? Gelukkig zijn er nog andere vogels in de tuin. En zo vraagt Roze Vogel het aan Gele, Oranje, Bruine en Paarse Vogel. Maar hij is nergens welkom. Hij wordt er moe van. Ìs iedereen wel echt welkom in deze tuin?
Dan ziet hij Witte Vogel. Gelukkig. Witte Vogel deugt, zeggen ze. Bij Witte Vogel zou hij vast wel welkom zijn. Snel fladdert hij naar haar toe. “Dag Witte Vogel, ik ben Roze Vogel, ik kom van ver. Mag ik bij jou wonen?”
Maar Witte Vogel zegt: “Ha Roze Vogel, in onze tuin is plaats voor iedereen. Maar wie zij je ook al weer wie je was? Roze Vogel? Ja, dat kun je wel zien. Man, wat ben jij roze zeg, het doet gewoon zeer aan mijn ogen. Dat vloekt bij mijn bankstel. Ennuh, mijn huisje is ook te klein.”

Roze Vogel raakt wanhopig. Hij heeft zo lang gevlogen om in deze tuin te komen. Hier zou plek zijn voor iedereen, maar bij niemand mag hij wonen. Wat nu? Dan ziet hij de tuinman, die onkruid aan het wieden is. De tuinman ziet er best vriendelijk uit. Hij verzamelt al zijn moed en vliegt op de tuinman af en zegt: “Dag tuinman, ik ben Roze Vogel, ik kom van ver. Mag ik bij jou wonen?”
“Hoezo, ben je nergens anders welkom dan?”
“Nee!
Ik heb het al aan Blauwe, Groene, Gele, Oranje, Bruine en Paarse en zelfs al aan Witte Vogel gevraagd. Maar ze vinden me te roze.”
De tuinman verstrakt in zijn gezicht. Hij begint donker te kijken. Dan zegt hij: “Heb je het ook al aan Zwarte Vogel gevraagd?”
“Aan Zwarte Vogel?
Nee, dat durf ik niet. Er gaan zulke rare verhalen over Zwarte Vogels. Ze zeggen dat ze een hekel hebben aan Roze Vogels. En dat ze snel boos zijn.”
“Probeer het toch maar”, zegt de tuinman, “wie weet valt het mee”.
Al snel ziet Roze Vogel dat Zwarte Vogel hoog boven in de boom zit. Hij vindt dat Zwarte Vogel er wat dreigend uit ziet, met die gitzwarte kleuren. Met een kloppend hart vliegt Roze Vogel op Zwarte Vogel af.

Met een klein stemmetje zegt Roze Vogel: “Dag Zwarte Vogel. Ik ben Roze Vogel en ik kom van ver. Kan ik bij jou wonen?”
Zwarte Vogel buigt zich naar Roze Vogel toe. Hij kijkt even en dan spreid hij zijn grote zwarte vleugels uit en zegt: “Ja hoor, wees welkom! Je hoort er helemaal bij!”

(Naar een idee van Bart Metselaar)

 

Inleiding op de lezing:

De gelijkenis die ik zo dadelijk voorlees, is een soort spotprent. Het gaat over een farizeeër. Alleen: die spotprent over de farizeeër snappen wij niet meer zo goed, omdat wij heel negatief over farizeeën zijn gaan denken. Bij ons is farizeeër een scheldwoord geworden. Dat klopt niet met wie farizeeërs werkelijk waren. Een farizeeër werd in de tijd van Jezus zeer gewaardeerd. Ze waren erg populair bij het volk. Farizeeërs waren uitermate deugdzame mensen, ze verdienden meestal de kost als ambachtsman, werk met hun handen: ze waren vaak timmerman zoals Jozef van Nazaret, de vader van Jezus, die zeer waarschijnlijk ook farizeeër was, of ze waren tentenmaker, zoals de apostel Paulus die ook farizeeër was.
Farizeeërs wilden God eren door de wet van Mozes te volgen en daarin deden ze naast hun alledaagse werk, meer dan het gewone. Wij zouden zeggen: ze zaten vooraan in de kerk, ze zetten zich in voor de volle 100%.
Als u dat beseft, en zo dadelijk bij het woord farizeeër denkt aan een mooi en oprecht mens, die zich op en top inzet dan komt de gelijkenis mogelijk net zo schokkend bij u over als Jezus hem bedoelt.

Lezing: Lukas 18:9-14.

 

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Jezus vertelt een gelijkenis. En dan is het oppassen. Want elke gelijkenis is venijnig. Elke gelijkenis geeft te denken, irriteert, schokt, laat je in een spiegel kijken waarvan je schrikt als je niet wegkijkt. Ik hoop dat u dat lukt om vandaag in de spiegel te kijken.
Ook de gelijkenis van vandaag is venijnig. Ik heb de preek gisteren weliswaar afgekregen, maar ik ben nog lang niet klaar mee met de vragen die de gelijkenis me stelt. Ben ik ook als de farizeeër van dit verhaal?

Ze is ergens halverwege de kerk gaan zitten, op haar vaste plek. Ze is er altijd, zoals ze er op zoveel plaatsen altijd is: bij haar moeder die zorg nodig heeft; op de school van haar kinderen om bij te springen; in de kerk, als er bezoekmedewerkers worden gevraagd en op haar werk. De andere mensen zijn blij met haar. Zulke mensen, daar heb je wat aan. En zo zit ze vanmorgen hier. Gewaardeerd door anderen. Af en toe best wel moe vanwege het vele dat er op haar af komt, maar dan toch ook tevreden, tevreden dat het haar lukt.

We zijn er. En dat onderscheidt ons van de mensen die op bed zijn blijven liggen. We gaan naar de kerk, we bidden, we zetten ons in. En u weet hoe dat is: u bent blij dat de anderen er zijn en zij dat u er bent en meedoet. Je bent toch zeker blij als kerk met zulke actieve mensen, van die mensen die net als de farizeeën een stapje harder lopen, meer doen dan het gewone? Op zulke mensen hoop je toch in de kerk en in het dorp? Daar kun je er nooit genoeg van hebben.
Maar dan gebeurt het. Zo’n mooi en actief mens, een farizeeër, gaat over de schreef. Finaal. Hij dankt God dat hij niet is zoals die tollenaar die in een hoekje in het halfdonker aan het bidden is. Hij stelt zichzelf hoger dan de tollenaar. Hij verheft zich. Hij deugt, de anderen niet, die zijn minder dan hij. En die tollenaar deugt al helemaal niet. Die heeft voorgoed afgedaan.

Niet alleen die vrouw van daarnet zit in de kerk, achterin is een man stilletjes een bank ingeschoven. Andere zondagen is hij er nooit. Maar vanmorgen hoorde hij de kerkklok en die riep iets in hem wakker, iets dat raakte aan het gevoel dat hij de laatste tijd heeft, dat hij er een bende van gemaakt heeft. Dat het anders moet. De preek gaat helemaal aan hem voorbij. Hij hoort vaag wat over een farizeeër en een tollenaar, maar zit vooral met zijn eigen vraag die hij af en toe zachtjes in zichzelf omhoog roept: “Heer, wees mij, de zondaar, genadig”.
Ja, we hebben hem wel zien zitten. Daarnet hebben we elkaar even aangestoten en voorzichtig gewezen. “Kijk, daar heb je hem….” We weten alles van hem, tenminste: een hoop. En wat we weten is niet best. Ach, we schudden ons hoofd. Hij heeft het niet altijd makkelijk gehad, maar hij heeft het meeste echt zelf veroorzaakt. En ik denk dat we nog niet eens de helft weten van de rotstreken die hij heeft uitgehaald. Er moet in onze tuin wel plaats zijn voor alle vogels, maar hij daar? Ach, dat is een rare. Ja toch?

U weet hoe de gelijkenis verder gaat. Eerst wordt er gezegd dat de farizeeër God dankt dat hij niet zo is als die tollenaar. En dan komt die tollenaar in beeld. Aarzelend is hij binnengekomen, in het schemerdonker, zodat niemand het ziet. Hij heeft berouw, slaat zichzelf op de borst en vraagt om genade. “Heer, wees mij, de zondaar, genadig.” Zijn bestaan, zijn ik, is failliet. En hij keert zich tot God. 
En dan staat er: “De tollenaar keerde in tegenstelling tot de farizeeër gerechtvaardigd naar huis terug. Want ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden”. Zo doet God blijkbaar. Heel anders dan wij. 

En dan is de gelijkenis afgelopen en laat de gelijkenis ons achter met de beklemmende vraag: en wij dan? Het is een vraag die blijft jeuken. Ik hoor me zo snel over anderen praten als over mensen die niet deugen, die rol van die farizeeër in deze gelijkenis past mij helaas geregeld maar al te goed en ik vrees dat u dat bij uzelf ook herkent. Op zulke momenten besef ik dat die God, die zo is en zo doet, mij vreemd is, dat mij die God, die nederigen verhoogt, telkens weer verkondigd moet worden en dat ik opgeroepen moet worden om op mijn manier hetzelfde te doen. God is een vreemde. Hij is anders. Radicaal anders. Willen we zo’n God eigenlijk wel? Zo’n God die niet alleen kiest voor de zwakke, de vertrapte, maar ook voor die mensen die tot inkeer komen?

Het probleem is dat de kerk altijd de norm heeft voorgeschreven. De kerk wist hoe het zat, wat je moest geloven en wat je moest doen. De kerk straalde uit God in haar broekzak te hebben en precies te begrijpen hoe God in elkaar zit. De kerk wist alles en hoefde niet meer leren. Zo’n houding van de kerk is funest. Het is een houding van arrogantie, dat de kerk deugt en de kerkmensen deugen, dat u als kerkmensen ook wel uw fouten hebt, maar dat u toch een beetje superieur bent aan mensen uit het dorp die niet naar de kerk  komen. Nee dus, want dat weet u helemaal niet. Dat kunt u niet zien. U weet niet wat er in een ander aan het werk is. 
Dat wil trouwens niet zeggen dat je geen kritiek op elkaar mag hebben. Dat is een misverstand: dat er in de kerk geen ruzie mag zijn, dat we in de kerk altijd lief voor elkaar moeten zijn. Natuurlijk niet. Jezus is ook bepaald niet lief als hij deze gelijkenis vertelt. Hij stelt zo’n deugdzame farizeeër, waaruit hij zelf waarschijnlijk ook afkomstig is, onder uitermate heftige kritiek. Nee, we hoeven in de kerk niet alles met de mantel der liefde te bedekken. Sterker nog: dat mògen we niet eens. Als er onrecht is, mòet het aangekaart worden. Het is goed om elkaar in de ogen te kijken en de waarheid te zeggen als dat nodig is, maar dan niet achter iemands rug om, maar openlijk, opdat de ander er van kan leren.
Kritiek geven gaat over openlijk gedrag, hier gaat het over je innerlijk: dat je anderen niet veracht. Dit is toch een tuin waar iedereen wonen mag? Jezus kijkt anders. Hij ziet wat er in de ander aan het werk is, hoezeer dat misschien verborgen blijft, iets van God. 

Jezus is uitverteld. De gelijkenis heeft een open einde. Hoe loopt het af? Dat ligt aan ons. De geschiedenis zou zich kunnen herhalen, eindeloos. Maar het kan ook anders. Luister maar.

Die actieve vrouw waarvan ik aan het begin van de preek vertelde, zit nog altijd halverwege in de kerk op haar vaste plekje. Natuurlijk is ze er vanmorgen, plichtsgetrouw als altijd. Straks gaat ze nog even bij haar oude moeder langs. Maar er is iets met haar gebeurd. Opeens herinnerde ze zich tijdens de preek, dat ze weliswaar erg actief is en zich inzet, maar dat ze net als die farizeeër af en toe afgeeft op anderen. Dat ze moppert op mensen in de straat die niet thuis geven als er wat gedaan moet worden. Dat ze af en toe cynisch wordt omdat hetzelfde werk op zo weinig schouders terecht komt. Dat ze, hoe gewaardeerd ze ook wordt, een oude mopperkont aan het worden is en een hekel heeft gekregen aan mensen die maar op hun krent blijven zitten. En daarmee besefte ze opeens dat ze veel meer lijkt op die farizeeër dan ze altijd had gedacht. Het deed zeer. En daarom heeft ze de bede van de tollenaar overgenomen, ze heeft haar handen gevouwen, al tijdens de preek, maar tijdens het gebed nog een keer en gebeden: “Heer, vergeef me, wees mij zondaar genadig”.  Van farizeeër is ze tollenaar geworden. Het gebed luchtte haar op. Het had iets van een biecht, daar wil ze van de week eigenlijk nog eens met iemand over doorpraten. 

Tijdens de collecte kijkt ze rond. En dan ziet ze achter in de kerk die man zitten die hier anders nooit is. Die man waarover iedereen een mening klaar heeft. Die man die er zo’n bende van gemaakt heeft. Het komt op haar af dat hij hier is. Ze ziet hem voorover zitten in de bank, het hoofd naar beneden. Klopt het dat ze tranen ziet? 
Ze aarzelt niet langer. Daar, bij die man, moet ze zijn. Hij heeft haar vast nodig. Ze staat op en anderen valt dat niet eens zo op. Ze is altijd zo actief, ze moet zeker iets doen. Ze loopt naar achteren en ze gaat daar naast de man zitten die daar zit te huilen. Hij kijkt haar aan. Ze ziet wantrouwen in zijn ogen. Wantrouwen dat ze maar al te goed kan plaatsen. Angst om afgekeurd te worden, weggestuurd. Maar ze streelt zijn arm.  Zachtjes zegt ze: “Ik moet je wat zeggen. Daarnet, tijdens de preek, besefte ik opeens dat ik helemaal verkeerd bezig was. Dat ik neerkeek op mensen die anders waren dan ik. Dat ik neerkeek op mensen die er een bende van gemaakt hadden. En opeens besefte ik dat ik als die farizeeër ben in die gelijkenis. Ik heb gedaan wat ik de tollenaar deed in het verhaal. Ik heb daarnet tijdens de preek en tijdens de gebeden nog een keer mijn handen gevouwen en ik heb gebeden: “Heer, wees mij, de zondaar, genadig”.
De man kijkt haar aan. Hij zegt: “Dat zit ik ook de hele tijd al te bidden. Ik heb er een bende van gemaakt. Ik weet het niet meer. Het moet anders, maar ik weet niet hoe. Daarom ben ik gekomen vanmorgen. Zou God me genadig zijn? Ik hoop het.”
De vrouw knikt. “Ja, God is je genadig. En mij ook. Zo is God. Ik weet niet precies wie of wat God is, maar wel dat God ons overeind helpt als we zijn gevallen. Kom, je mag opstaan, net als ik. Allebei schieten we geregeld in de fout, maar mogen we opnieuw beginnen. Je mag er zijn, Je hoort er helemaal bij!”
Als de organist het slotlied inzet gaan ze beiden staan en zingen ze samen uit één liedboek: “Loof de Koning, heel mijn wezen, gij bestaat in zijn geduld”. Bij die regel kijken ze elkaar aan, beiden met tranen in de ogen. “Gij bestaat in zijn geduld” En ze knikken. Want zo is het. Wij bestaan in Gods geduld.

Lof zij U Christus, in eeuwigheid,

Amen.

 

 

 

We zingen Gezang 91 in wisselzang (1 voorg, rest allen).

Laat ons bidden.

 

Eeuwige God,

U danken wij voor al die mensen die elkaar zien,
die niet op elkaar neerkijken
maar elkaar aanmoedigen,
versterken om hun weg te vervolgen in het spoor van uw zoon.

We leggen voor U neer die momenten dat we te kort schieten,
dat we onszelf verheffen boven anderen
en dat we vergeten dat we het allen bestaan in uw geduld.

 

U danken wij voor al wat er hier in dit dorp gebeurt.
Voor de mensen die elkaar bijstaan,
samen gemeenschap willen zijn
en doen wat daarvoor nodig is.
We bidden U voor hen in dit dorp
die zich hier niet thuis voelen
die zich geen plek verworven hebben.
Help ons hen te zien.

We bidden U voor de kerk
en leggen voor U neer dat we ons als kerk te vaak verheven hebben gevoeld
alsof we beter zouden zijn.
Bewaar ons voor arrogantie
en geef ons tegelijkertijd een stem
om op te komen voor wie onderdrukt wordt.

 

We bidden U voor de zieken.
Voor hen die het niet meer zitten.
Geef hen mensen op hun pad
en help ons zulke mensen te zijn.

 

Mededelingen ouderling van dienst.

Collecte.

Slotlied: Gezang 460.

 Terug naar alle preken


website van Aart C. Veldhuizen, www.aartveldhuizen.nl


Cookies helpen ons onze services te leveren. Door onze services te gebruiken, geeft u aan akkoord te gaan met ons gebruik van cookies. OK