IJs uit de adem van God

Hoofdartikel kerkblad Langweer, februari 2014.

 

“Uit Gods adem vormt zich ijs
en de uitgestrektheid van het meer bevriest”
(Job 37 vers 10)

Ik ben een slecht schaatser. Toch ga ik vast en zeker proberen om een keer op mijn houtjes van Sneek naar Langweer te schaatsen. Ik hoop dat ik het haal. Niet alleen omdat er dan een overtochtje met de pont wordt uitgespaard, maar vooral omdat ik dan op Gods adem rij. Want het ijs komt voort uit Gods adem.
Ik kan me voorstellen dat u dat in de loop der eeuwen vergeten bent. Meteorologen van nu denken namelijk dat ijs ontstaat als de temperatuur onder nul is en ook rayonhoofden denken daar alles van te weten. Laat hen in hun waan, ze weten niet beter. In werkelijkheid vormt het ijs zich uit de adem van God. Want dat staat in het boek Job.

Nu moet ik wel toegeven dat Job niet veel verstand van het weer had. Zijn kinderen waren aan het feesten toen de storm hen doodde, dus dat geeft te denken. Als alle ellende van de wereld Job getroffen heeft, gaat Job op indringende wijze het gevecht met God aan over de vraag waar God is als het kwaad de goede mensen treft. Hij klaagt God aan, krachtig en heftig. Als zijn vrienden dat al te bont vinden en het voor God gaan opnemen, noemt hij hen troebel water onder ijs. In handen van mensen die je klacht en je verdriet niet serieus nemen, kun je maar beter niet terecht komen. Dat is even verstikkend als troebel water onder ijs. Dan is het veel veiliger om over Gods adem naar Langweer te schaatsen. 

Het ijs komt dus voort uit Gods adem. Dat roept een ijskoud beeld van God op. Bij God denk ik aan warmte en aan liefde en niet aan ijzige kou die alles laat bevriezen. Gaat het er niet juist om dat we telkens weer moeten ontdooien als de harde ijssculpturen die we vaak zijn? Maar Job kan wat hem is overkomen niet langer rijmen met God. Hij heeft de ijskoude kant van God leren kennen, van een God die maar van alles laat gebeuren. En daardoor is er een levensgroot wak in zijn geloofssysteem gekomen. En het typerend voor Job dat hij er geen groot takkenbos in legt en er ook geen bordje WAK ter waarschuwing bij neer zet, maar dat hij God aanklaagt. En hij verklaart God schuldig. Want van God verwacht je toch wat anders dan een klomp ijs in je maag?

Job klaagt God aan. En Job krijgt antwoord. Niet dat hij nu weet hoe het zit, maar wel dat hij ontdekt dat hij God aan mag klagen en dat hij hem dan toch niet kwijt raakt. Zijn keurige vrienden raakt hij wel bijna kwijt. Zij komen telkens met keurige ‘christelijke’ antwoorden: “God zal er wel een bedoeling mee hebben, je moet maar veel bidden, je hebt misschien toch wat verkeerds gedaan, je bent te hoogmoedig!” Die keurige antwoorden deugen niet, ze ontkennen zijn verdriet, ze vernederen hem en drijven hem naar troebel water onder ijs. Aan het eind van het boek krijgt Job de opdracht om voor zijn vrienden te bidden. Want zijn vrienden hebben niet terecht over God gesproken. Job wel. Hij legde zich niet neer bij de gemakkelijke antwoorden. Hij ging het gevecht aan met God, schreeuwde alles er uit. En kwam zo tot rust. En God zag dat het goed was.

Dit wil natuurlijk niet zeggen dat iedereen in moeilijke tijden God aan moet klagen. Lang niet iedereen heeft die behoefte, rouwen gaat bij iedereen anders. Maar het boek Job maakt ons duidelijk dat God er best tegen kan als je hem aanklaagt. Sterker nog, het lijkt er zelfs op dat God Job gelijk geeft. En zo vormt zich zoiets als een ijsvloer, waarop hij toch weer verder kan. Een ijsvloer, van ijs dat gevormd is uit Gods adem.
Het woord voor adem dat hier gebruikt is, betekent levensadem. Het is de warme levensadem die God ons ooit in de neus geblazen heeft. Gods warme adem schept het koude ijs. De meteoroloog zal er wel weer niets van begrijpen, maar alleen zo bevriest het meer. En zo staan we aan de rand van de Langwarder Wielen. Het meer of de zee is in de Bijbel de plek van de chaosmachten waarin je verzinken kunt. Door Gods warme levensadem bevriest de watermassa en zo kun je de chaosmachten te lijf. Dat is wat Huub Oosterhuis bedoelt als hij schrijft dat Jezus het water draagt onder zijn voeten.

Als u mij dus te zijner tijd door Langweer ziet lopen met mijn houtjes in mijn hand, dan weet u dat ik voor één keer de chaosmachten bedwongen heb. En dat is niet omdat ik geen koudwatervrees heb, maar dankzij de warme adem van onze God die alle chaos doet bevriezen.