“En het woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond” (Johannes 1:14).

Tussen Kerst en Oudjaar heb ik laminaat gelegd in de studentenkamer van een van onze kinderen. Kinderen wordt groot. Ooit lagen ze in de wieg, spraken ze hun eerste woordjes, reden ze op hun driewieler en moest je ze brengen naar de sportvereniging. Maar nu gaan ze op kamers en krijgen ze een vriend of vriendin. Kinderen grootbrengen is een hele klus. Want ook al zegt men dat kinderen vanzelf groot worden, je moet er toch verhipte veel energie in steken. Ik heb dagenlang spierpijn van het voorover hangen op grond van de studentenkamer terwijl we op een hobbelige ondergrond proberen een nette laminaatvloer te leggen.

De verhalen in de Bijbel die ons over Jezus vertellen, hebben veel van zo’n hobbelig studentenkamervloertje. Want aan de ene kant lees je dat Jezus honger en dorst heeft, pijn lijdt, weent en verdriet heeft, terwijl je aan de andere kant leest dat hij wonderen doet, één is met God, zonder zonden is en opstaat (of opgewekt wordt) uit het graf. De vroege kerk wilde daarom in de derde en vierde eeuw na Christus graag eens en voor altijd de hobbels gladstrijken en uitspreken hoe het zat met Jezus en kwam met de wonderlijke uitspraak: “Jezus was waarlijk God en waarlijk mens!”

Over die uitspraak is altijd veel te doen geweest. De discussie gaat tot op heden vooral over dat waarlijk God zijn van Jezus. Het wordt vaak als een soort test gebruikt: “Gelooft u wel dat Jezus waarlijk God is?” Je hoort bij die vraag de vraagsteller al denken: “Als je hier ‘nee’ op antwoordt, deug je niet!”. Het gesprek zou er echter over moeten gaan, wat het zeggen wil dat Jezus waarlijk God is. En wat het zeggen wil dat hij waarlijk mens is. Ik denk dit: dat het eigen aan hem is dat hij er voor kiest om het God zijn af te leggen. In het liedboek kom je veel liederen tegen die dat in tal van verschillende woorden zeggen en in de Bijbelverhalen over het optreden van Jezus komt dat ook telkens terug: Jezus legt zijn godheid af. En zo laat hij Gods liefde zien.

Waar over het God-zijn van Jezus ontzettend veel is gediscussieerd, is dat over het mens-zijn van Jezus veel minder het geval. Ik kan niet zomaar een lied in het nieuwe liedboek opnoemen dat specifiek over Jezus mens-zijn zingt. Blijkbaar levert dat wat minder hobbels op. En juist aan dat mens-zijn van Jezus moet ik vandaag met de spierpijn in mijn lijf denken. Zouden Jozef en Maria ook zoveel energie in Jezus hebben moeten steken? Moesten zij ook een studentenkamer voor hem inrichten? Lagen zij ook wakker van zijn geëxperimenteer met drank en drugs? Wist hij wèl in één keer wat hij wilde gaan studeren? En bracht hij wat van zijn studie terecht? En had hij ook steeds een ander vriendinnetje waarbij je aanvankelijk je hart vast hield?

Het is raar om zulke vragen over Jezus te stellen. Het klinkt bijna oneerbiedig. Want was Jezus dan niet volmaakt, heilig, als geen ander mens volledig lijkend op God? Het is mooi om die vraag aan de vroege kerk te stellen. Die zou zeggen: “Jazeker, maar Jezus was ook mens. Hij was net zo volkomen mens als dat hij volkomen God was.”

Als Johannes opschrijft dat het woord vlees geworden is, gaat het daar over. God heeft ons een mens gegeven. Een mens die als twee druppels water lijkt op God zelf. Niet op grond van hoe hij er uit zag, maar op grond van de manier waarop hij in het leven stond. Zo sterk wilde hij namelijk de weg van God laten zien. Daarom is het dat de vroege kerk hem – naast waarlijk mens – waarlijk God noemt. De vroege kerk sluit daarbij aan bij het begin van het Johannes-evangelie en bij andere Bijbelteksten. Jezus is een gift van boven. Hij is mens geworden. En die mens, waarin wij iets van God herkennen, heeft ons met zijn leven en sterven twee dingen laten zien. Het eerste wat Jezus is de liefde van God, die onnoemelijk groot is, die telkens weer door gaat, zelfs als we zijn geliefde zoon met zijn allen aan een kruis spijkeren. Het tweede is dat Jezus ons zo een weg wijst, een weg die een voorbeeld is voor ons, een weg van recht en vrede.

De studentenkamer is klaar en heeft een mooie vloer gekregen. Over wie Jezus is en wat hij ons te zeggen heeft, ben ik echter nog niet uitgedacht. Een paar dagen op de grond te keer gaan is daarvoor niet genoeg. Minimaal een heel leven heb ik daarvoor nodig en daarna nog wel een stuk of duizend als ik die zou krijgen. Gelukkig beginnen we in de kerk elk jaar weer opnieuw en gaan we weer opnieuw die verhalen lezen, vol met dubbele en driedubbele bodems, die ons steeds weer nieuw licht werpen op de weg die Jezus ons wijst. Volledig zicht op wie Jezus is, zullen we nooit krijgen. Maar laten we ons wel door hem aan laten spreken. Elk jaar mag je inhaken. Want door telkens weer die hele verhalencyclus door te gaan, worden je eigen hobbels stukje bij beetje glad gestreken.

Aart Veldhuizen.


website van Aart C. Veldhuizen, www.aartveldhuizen.nl


Cookies helpen ons onze services te leveren. Door onze services te gebruiken, geeft u aan akkoord te gaan met ons gebruik van cookies. OK