Grote of Martinikerk Sneek.

11 maart 2012, derde zondag van de 40 dagen of Zondag Oculi

Voorg: ds Aart C. Veldhuizen.

Organist: Dirk S. Donker.


Welkom in de Martinikerk,

Op de derde zondag aangekomen van de 40 dagen beginnen we met Psalm 25 waar te lezen staat dat “mijn ogen bestendig zijn op de HEER”. Hieruit is de naam voor deze zondag genomen, zondag Oculi (= Ogenzondag). De Paschagangers in Jeruzalem slaan in Markus 11 hun ogen op naar een heiligdom, waar niets heiligs meer aan is. Het is in een Beursplein veranderd en wat klinkt dat razend actueel in onze tijd van banken- en eurocrisis. Als Jezus vervolgens komt en laat zien hoe het wel moet, heeft dat ons veel te zeggen. Een goede dienst gewenst! Ave.


Orgelspel:           Felix Mendelssohn (1809-1847)

                               Thema mit Variationen (1844)

 

De dienst van de voorbereiding.


De tafelkaarsen worden aangestoken.


We zingen Psalm 25 vers 7, 9 en 10.

Voorg:  Onze hulp is in de Naam van de HEER
Allen:   die hemel en aarde gemaakt heeft
Voorg: die trouw houdt tot in eeuwigheid
Allen:   en het werk van zijn hand niet loslaat
Voorg:  Amen.


We zingen Gezang 324.


Op de groothuisbezoeken in Sperkhem en Hemdijk hebben we het er over. Over wat we telkens weer zien op het nieuws, wat er op ons afkomt via de televisie, de krant en andere moderne media. Het geweld in Syrië en op andere plaatsen en zo ontzettend veel andere beelden waarbij je je onmachtig voelt, omdat je niks kan doen. Dezelfde onmacht die over je komt als je een telefoontje krijgt en hoort wat een ander overkomen is.

Laten wij daarom, om al die beelden die over ons komen, al dat leed om ons heen, ver weg en dichtbij, tot de HEER roepen om ontferming, want zijn barmhartigheid kent geen einde:

- Gezongen Kyrie.


De dienst van de Schriften.

Voorg: De HEER zal bij u zijn!
Allen:   De HEER zal u bewaren!

Laat ons bidden:

Eeuwige God,

Hier in dit gebouw dat er al 1000 jaar staat, komen we samen om ons te laten voeden. Net als al die generaties voor ons, openen we de Schriften, in de hoop dat we worden aangesproken door woorden die ons raken.

We bidden U, dat we ons laten voeden, opdat ook wij in beweging komen In het spoor van Uw zoon, Jezus Christus, onze broeder, amen.


Een verhaal voor alle grote en kleine oren.

Toen ik daarnet mijn toga aan het aantrekken was, was daar opeens Rode Kater. Ik schrok. Want niemand mag toch zeker weten dat Rode Kater hier woont. Stel je voor zeg. Stiekem heeft de koster lang geleden Rode Kater hier binnengelaten om er zo voor te zorgen dat er geen muizen komen. Alleen ik en de koster weten dat Rode Kater hier woont. Als er andere mensen in de kerk zijn, verstopt Rode Kater zich altijd, maar nu kwam hij net voor kerktijd bij me.

“Snel, luister!” zegt Rode Kater.

“Wat is er aan de hand?” vraag ik.

“Iets ergs”, zegt Rode Kater, “ze willen van de kerk een ijsstadion maken”.

“Een ijsstadion?”

“Ja! Er waren mensen van de week aan het meten. Ze zeiden: we hakken die pilaren er uit en maken onder het orgel een doorgang en dan komt de ijsbaan hier zo te liggen. En de koster was ontzettend boos. Haar ogen schoten vuur. Ze zei nog: ‘hoe kunnen jullie dat nou toch doen!’ En de man van de koster was nog bozer. Hij begon tegen die mensen aan te duwen en zij duwden terug. En hij brak zijn been. Maar die mannen zeiden: ‘de bouw van het nieuwe ijsstadion in Heerenveen gaat niet door, en dit gebouw is erg geschikt met die tribunes’. Verder weet niemand er iets van. Doe iets, dominee Aart!”

Ik kijk Rode Kater aan. Wat een raar plan. Wie gaat er nou een schaatsbaan in een kerk aanleggen. Rode Kater praat verder. Hij zegt:

“Alle banken en stoelen die hier beneden staan, gaan er uit. Het wordt een ijsvloer. En het orgel blijft hangen, want ze zeiden dat er hier dan ook ijshockeywedstrijden komen en dat er op het orgel dan zo’n riedeltje kan worden gespeeld zoals ze in Amerika ook altijd doen als er bij het ijshockey een doelpunt wordt gemaakt”.

Ik schud mijn hoofd. Zijn ze nu helemaal gek geworden.

“Wat moet ik doen? Moet ik er maar gaan vertellen aan de mensen vanmorgen?”

“Nee”, zegt Rode Kater, “dat mag niet. Want dan horen de mensen dat hier een Rode Kater woont.
En ook de koster mag niks zeggen, die heeft ook ambtsgeheim.”

“Wat dan?” vraag ik nog.

Maar Rode Kater draait zijn koppie. Hij hoort dat de deur open gaat en er een ouderling binnenkomt. Net op tijd verstopt hij zich onder de tafel. En even later loop ik de kerk binnen, Rode Kater zal daar nog wel zitten. En het verhaal zit in mijn hoofd. Want wat moet ik nou doen?

Ik besluit er maar een verhaal van te maken, over Rode Kater, want veel mensen denken toch dat die verhalen niet echt gebeurt zijn en daarna te vragen hoe je het zou vinden als deze kerk een schaatshal zou worden.


Lezing: Markus 11:15-19.

We zingen Gezang 119 vers 1, 2 en 5.


Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Een vreemde ervaring deze week: elke keer als ik bezig was met het Bijbelverhaal van vanmorgen, moest ik denken aan een boek dat ik aan het lezen was. En elke keer als ik dat boek aan het lezen was, moest ik denken aan het verhaal van de tempelreiniging dat we net lazen.

Nu gebeurt dit wel vaker, maar dit keer betrof het een managementboek, dat ik moest lezen voor mijn studie. Veranderdiagnose – de onderstroom van organiseren, geschreven door Rob van Es. Maar ook al gaat het over management en over veràndermanagement (wat nog onbekender voor me is) het is een prachtboek!

Soms moet er wat veranderd worden. Dat is logisch. De samenleving verandert en de omstandigheden veranderen. En die veranderingen gaat snel. En je moet mee, of je wilt of niet. Velen van u kennen dat gevoel maar al te goed, of anders wel van horen zeggen, dat er een nieuwe manager komt en dat alles opeens anders moet en er vaak ook een hoop mensen uit moeten. Van bovenaf worden nieuwe structuren bedacht en plannen opgelegd en opeens wordt de voertaal Engels en komen er woorden als: quality control, return to investment, business to business, turn around management. Geen idee wat het betekent. Een college vertelt dat iemand in een gekke bui in zo’n vergadering met een serieus gezicht een nieuw woord voor afdelingshoofd heeft voorgesteld: “Local Unit Leader”. Er werd instemmend en gretig geknikt, tot men zag wat de afkorting er van was: L.U.L.

Op de scholengemeenschap waar ik jaren geleden werkte, was een nieuwe directeur net een maand aan het werk, toen hij via de intercom meedeelde dat het schoolfeest van hedenavond niet door zou gaan, omdat hij er op tegen was dat daar alleen maar zou worden gedanst. Hij had geen overleg had gehad met de docenten die dat feest hadden georganiseerd en die kregen het ook via de intercom te horen. Hij was hier nu de nieuwe directeur en zo’n feest paste niet in het profiel van de school dat hij voor ogen had, zo klonk het. De collega’s die het met leerlingen hadden georganiseerd, konden het dak op. Het is duidelijk: zo moet het niet. De nieuwe directeur had het meteen verbruid en heeft het dan ook niet gered.

Het bijzondere van het boek dat ik las en de studiedag die daar over ging, is dat het gelukkig ‘in de mode raakt’ om veranderingen anders in te voeren, niet meer zo van boven af. De moderne verandermanager wordt geleerd om gebruik te maken van de werkvloer, van de onderstroom in de organisatie en dat het veel doeltreffender is om zo een veranderingsproces in te gaan. Want op de werkvloer ligt de emotie, van de werkvloer ben je afhankelijk en wat meer is: op de werkvloer leven ook ideeën en velen weten meer dan één.

Ik las dat allemaal en moest telkens denken aan het Bijbelverhaal van vanmorgen. Jezus als verandermanager. Jezus als degene die een verandering wil bewerkstelligen, daar op dat tempelplein, daar in het toenmalige Jeruzalem en hier in ons leven. Laten we eens kijken hoe Jezus dat doet. Hij komt de tempel binnen, en pakt hen die in de tempel aan het verkopen en het kopen zijn beet en drijft hen van het tempelplein af. Hij gooit de tafel van de geldwisselaars om en de stoelen van hen die duiven verkopen en Hij geeft iedereen een uitbrander die een voorwerp over het tempelplein draagt.

Dat is heftig. Jezus is bepaald niet de ideale verandermanager, zo zou je zeggen. Het lijkt het voorbeeld van hoe het niet moet. Iemand van de oude stijl, top-down-management, zo zou je zeggen. Maar dat is toch niet helemaal het geval. We moeten nog wat dichter bij het verhaal komen.

Het gebeurt op het tempelplein en dat is heel wat anders dan een kerk, hoe oud en mooi die kerk ook is. Uiteindelijk is een kerk maar een gebouw van hout en stenen met weliswaar veel emotionele en ook culturele waarde, maar het blijft een gebouw dat eindig is en geen doel op zich. Het tempelplein is anders. Het is de enige plek van de tempel waar de niet-Joden mogen komen, het is de plek om te offeren en te bidden. Als een teken midden tussen de volkeren staat daar die tempel met dat tempelplein er om heen, de plek bij uitstek waar zichtbaar en tastbaar is dat dit volk een ander volk is, dat dit volk een andere God belijdt dan de Goden van de volkeren. Een God die je niet af kunt beelden, omdat Hij te anders is, een God die niet opgaat in je eigen gelijk, die niet opgaat in je eigen geld, of macht, of wat dan ook. Maar een God die zich op de één of andere manier verbonden heeft met de plek van die tempel. Alleen, er is niets meer van over. Op het tempelplein is het een drukte van belang, schitterend en eigentijds getekend door Theo Jaasma op de omslag van de orde van dienst. Hij tekent zwaar gedecolleteerde roulette spelende dames, er wordt gegokt en afgeperst met geld, het is een dolle boel, waarbij er iemand staat de kijken met de wet van God onder zijn arm. Waar is het zoeken naar de stilte, waar is het zoeken naar God? Het wemelt van de geldwisselaars, echte geldmakers. Het gangbare geld is namelijk Romeins, daar staat de kop van de keizer op. Dat kan gewisseld worden tegen tempelgeld en daarmee kan dan in de tempel worden betaald, tot meerdere rijkdom van de handelaren. In onze taal: het heiligdom is een beursgebouw geworden. Het heiligdom is de plek waar geld wordt gemaakt, waar grof geld wordt verdiend, waar mensen stinkend rijk worden en waar bonussen worden uitgekeerd over de ruggen van anderen. En je kunt er ook duiven kopen om een offertje te brengen. Kraampjes met: “Koop hier, voor al uw religieuze zaken”. In het verhaal van daarnet: er staan tentjes met koek en zopie, en er klinkt harde muziek waar je lekker op kunt schaatsenrijden. En het is er natuurlijk allemaal om begonnen dat je flink moet betalen om er binnen te komen. En dat kan niet. Waarom niet? Omdat die tempel moet laten zien waarin Israël anders is dan de volkeren. Daarheen kun je gaan om de stilte te zoeken en te vinden en wellicht God. Daarheen kun je opgaan om je opgenomen te weten in een biddend volk, in mensen die niet alles snappen, maar die zich wel toe willen vertrouwen aan de Eeuwige God. Waar zijn we als er van het heiligdom een beursgebouw wordt gemaakt, als het heiligdom in het teken staat van de Mammon, de God van het geld? Waar zijn we als er van ‘brood en wijn om niet’ een Koek en Zopie-tent wordt gemaakt, waar je flink voor moet betalen? Wat onderscheidt ons dan nog van de volkeren? Israël, waarin ben je anders dan de volkeren? Waarin onderscheid je je? En hoe kunnen de volkeren dat aan je zien? Nee, dit is fout, dit kan niet, dat is wel duidelijk.

En dan komt Jezus. En daar is in de versie die we lazen uit het Markus-evangelie wat bijzonders aan de hand. Jezus komt in het Markus-evangelie namelijk uit Bethanië, daar heeft hij overnacht. De dag ervoor was hij namelijk ook al in de tempel. Matteüs, Lukas en Johannes, die het verhaal later nog een keer vertellen, hebben dat er uit gehaald, maar ik leg er vanmorgen juist de vinger bij. Zoals Markus het vertelt is Jezus vandaag niet voor het eerst in het heiligdom. Vandaag, nu hij zo’n opschudding veroorzaakt en alles ondersteboven kiepert, is hij hier niet voor het eerst. En hij handelt hier ook helemaal niet in een opwelling. Integendeel, hij doet het met voorbedachte rade. Hij was er namelijk gisteren ook al. En toen waren die geldwisselaars en duivenverkopers en die andere toestanden er natuurlijk ook. Hoor maar wat Marcus daarover schrijft: “En Jezus kwam – gisteren dus – te Jeruzalem in de tempel. En – zo staat er dan – nadat Hij rondom alles overzien had, vertrok hij, toen het reeds laat was naar Betanië.”

Gisteren was Jezus er dus ook, en toen heeft hij rondom alles overzien. Hij heeft zijn ogen goed de kost gegeven. Hij heeft het dus gezien, de tafels van de geldwisselaars, de stoelen van de duivenverkopers, de bonussen van de bankiers, het streven naar geld in het heiligdom, het heiligdom dat geen heiligdom meer is, geen plek meer om te bidden, om te zoeken en te vinden, maar een rovershol. En vandaag komt hij terug. Onderweg vervloekt hij een vijgenboom die geen vrucht geeft, terwijl het niet eens het seizoen daarvoor is. Het lijkt wel dat hij de hele nacht heeft liggen woelen, dat het hem niet lekker zit wat hij daar zag op dat tempelplein had gezien en dat hij daarom teruggekomen is. Hij heeft er wakker van gelegen en er is een plan in hem opgekomen. Hij wil iets laten zien, een teken, een signaal, dat dit niet kan. Alles wat hem niet zint moet er uit. Alles moet ondersteboven, al is het maar voor een dag.

Ja, ook dat nog eens: al is het maar voor een dag. Want de volgende dag zal alles weer op dezelfde voet doorgaan en anders overmorgen wel. Mensen en structuren verander je niet zomaar, en al helemaal niet als er geld en werk mee gemoeid is. De geldwisselaars en duivenverkopers zullen er over een paar dagen wel weer zijn. Maar voor één dag gooit Jezus alles ondersteboven. Alleen voor vandaag. Helpt dat? Het helpt niet als er niets mee gedaan wordt. Het helpt niet als opnieuw voor het geld wordt gekozen. Dan blijft het een rovershol. Maar het helpt wel als we de woorden tot ons door laten dringen en we in beweging komen. Als we laten spreken wat er in ons is, die woorden, die termen die we van jongs af aan hebben meegekregen, en die zijn gevoed door de Bijbelverhalen die we hier horen: respect voor eigenheid, voor eigen identiteit, voor oprechtheid, voor zoeken en wellicht vinden. In het verlengde daarvan: respect voor recht, gerechtigheid, barmhartigheid, eerlijkheid, vrede. Dat is ons ingeprent, bij velen van jongs af aan. Niet dat het altijd zo goed gaat bij ons, maar het zit er wel. En we vinden nog altijd dat die woorden en die waarden belangrijk zijn: recht, gerechtigheid, barmhartigheid, eerlijkheid, vrede, veel belangrijker dan woorden als bonussen, aandelen, crisissen en geld. Het zit in ons. In de onderstroom die wij zijn. En alleen van onderaf kan er werkelijk wat veranderen, zo las ik in het boek over verandermanagement.

Afgelopen maandagavond waren we als wijkraden van de wijk Martinikerk en de wijk Oosterkerk bij elkaar. We waren in gesprek over het bezoekwerk dat de predikanten doen, over de knelpunten die de predikanten daarin ervaren, dat alle dominees van Sneek merken dat ze voor gewoon bezoekwerk eigenlijk te weinig tijd hebben. Het werd duidelijk dat er dieper moet worden nagedacht, over wat het eigene is van het bezoekwerk dat de dominee doet, ten opzichte van het bezoekwerk dat andere gemeenteleden doen. Het werd duidelijk dat er nieuw moet worden nagedacht over in welke situaties de dominees wel moeten worden ingezet en in welke situaties niet. Eén van de ouderlingen van de wijk Oosterkerk zei afgelopen maandag: “Hoe gaan we er nu mee verder? Want”, zo zei hij, “als je wilt dat er niets verandert, moet je door een hogere laag plannen laten bedenken”. Prachtig gezegd, want dat is precies wat ik in dat managementboek lees: “Veranderkundigen dienen aan te sluiten bij de interesses, emoties en gevoelens van medewerkers”. Maak gebruik van de werknemers, de basis, motiveer hen om mee te denken, met ideeën te komen, want velen weten meer dan één en zo neem je ze mee. En opnieuw moest ik aan het Bijbelverhaal van vandaag denken. Want Jezus is hier niet degene die van bovenaf komt en voorgoed de omstandigheden op het tempelplein verandert. Jezus verandert niet iets definitiefs. Hij laat wel iets zien, wil ons wakker schudden, wil de gewone mensen laten zien dat het zo niet langer kan. Hij doet een teken. Hij geeft een signaal af. En het is daarom nu aan ons om het voort te zetten.

Zo is het hele optreden van Jezus. En zo werkt onze God. Hij voedt ons en werkt zo in ons en door ons. Via wat het managementboek de onderstroom noemt. Van onder af. Verandering komt alleen tot stand als iedereen zijn eigen deel bijdraagt. Jezus laat zien dat het anders kan en moet en u bent nodig om uw stem te laten horen en verandering tot stand te brengen al is het maar in de kleine kring om je heen. Je doet er dus toe. Je bent niet inwisselbaar, je bent niet zomaar te vervangen, je bent uniek met je eigen stem, je eigen geluid. Want jij bent één van de brede onderstroom, door wie de HEER werkt.

Ik ga afsluiten. Eén ding nog. “Wordt er bij ons nou ook nog wat op zijn kop gegooid of niet?” Jazeker wordt er wat op zijn kop gegooid! Wat op z’n kop gegooid wordt, wat de tempel en ons leven uit moet worden gegooid, is datgene dat ons niet onderscheidt van de volkeren. Namelijk: de overtuiging dat het allemaal niets uithaalt, dat het allemaal niets uitmaakt wat je doet, dat het allemaal niks is en dat het allemaal niks worden zal ook. Dat wordt op zijn kop gegooid. En dat is maar goed ook. Want die gedachte smeert alles dicht en ontkent het Koninkrijk van God. Dat midden onder ons is en waarin God door ons heen zijn eeuwige gang gaat.

Lof zij U Christus in eeuwigheid.

Amen.


We zingen Gezang 86 vers 1, 6, 7 en 8.

De dienst van gaven en gebeden.

Collecte onder orgelspel:

                Max Drischner (1891-1971)

                “Jesu, meine Freude” (Gezang 428)


Als de kinderen terug komen zingen we het projectlied.


Laat ons bidden:

Eeuwige God,
Wij danken U voor deze plaats,
voor plekken en momenten waar wij ons mogen laten voeden.
We bidden U dat we ons in beweging laten zetten,
en zo meewerken aan uw Koninkrijk dat midden onder ons is.
Zo bidden wij:

HEER ONZE GOD, WIJ BIDDEN U: VERHOOR ONS!

We leggen de snelheid van de tijd voor U neer.
Voor alles dat zo snel gaat en zo snel verandert.

We bidden U voor hen die zich overspoeld voelen door veranderingen
op het werk, in de kerk, in de samenleving.
We bidden U voor mensen die aan het roer staan van organisaties,
bedrijven, kerken, politieke bewegingen en landen,
geef hen wijsheid om te luisteren naar wat er leeft aan ideeën en aan onvrede
en help hen besluiten te nemen die getuigen van respect voor mensen,
zo bidden wij:

HEER ONZE GOD, WIJ BIDDEN U: VERHOOR ONS!

Wij leggen hen aan U voor die het moeilijk hebben,
mensen die hun werk zijn kwijtgeraakt of kwijt dreigen te raken.
We bidden U voor hen die ziek zijn,
voor hen die leven met een groot gemis.

……… evt namen.

Geef hen mensen om hen heen
en help ons zulke mensen te zijn,

zo bidden wij:

HEER ONZE GOD, WIJ BIDDEN U: VERHOOR ONS!

Stil gebed – onze Vader.


We zingen Gezang 305.


Zegen.


Orgelspel:           Felix Mendelssohn
                               Allegro moderato maestoso (1845)

​Terug naar alle preken



website van Aart C. Veldhuizen, www.aartveldhuizen.nl


Cookies helpen ons onze services te leveren. Door onze services te gebruiken, geeft u aan akkoord te gaan met ons gebruik van cookies. OK