Achtergrondinformatie bij de gelezen teksten over het boek Job.

- Februari 2010, informatie dat werd meegegeven aan de cursisten van de cursus Bijbelbijspijkeren. 

 

Waar zitten we?

Over de plaats van Job in TeNaCH:

 

Een inhoudsopgave van het boek Job:

Proloog (in proza) Job 1 en 2 – het verhaal van Job op aarde tegen de achtergrond van de gesprekken tussen God en satan.

Jobs eerste woord : Job 3.

Eerste gespreksronde (tussen Job en zijn vrienden) : Job 4 – 14

Tweede gespreksronde (tussen Job en zijn vrienden) : Job 15 – 26

Derde gespreksronde (tussen Job en God) : Job 27 – 31 en 38 – 41

(onderbroken door de rede van Elihu in Job 32-37)

(alle drie de gespreksronden hebben 270 verzen)

Jobs laatste woord : Job 42:1-6

Epiloog: Job 42:7-17.



Opmerkingen bij Job 1 en 2.

  • Het land Uz, buitenland dus. Er was eens……? Job komen we verder nergens tegen. Hij lijkt een buitenlander te zijn. Het lijkt wel dat ons dit alles wordt verteld om ons te bezinnen over de vraag hoe dat zit tussen God en mens als alles weg valt.
  • De raad van de zonen van God. Dat is vreemd. Deze voorstelling kom je ook in de Psalmen tegen, vooral in Psalm 82.
  • Er is een parallel tussen Job en zijn zonen en God en zijn zonen. Job lijkt zijn zonen beter in de hand te hebben dan God zelf.
  • Satan is in de Bijbelverhalen de tegenstander, diegene die alles in de war wil gooien. In populaire voorstellingen wordt satan wel eens als een soort tweede God gezien, een tegen-God. Dan zou er dus een God van het goede en een God van het kwade zijn. In de Bijbel is dat niet zo, alleen God is waarlijk God. Als in Bijbelverhalen de satan of de duivel als een persoon voorkomt, dan is dit de term voor al die krachten die het goede kapot maken en tegengaan.
  • Let op het woord ‘vaarwel zeggen’ in Job 1 en 2:
    • Het is de angst voor Job (1:5) dat zijn kinderen God vaarwel zouden zeggen
    • Satan denkt dat Job God vaarwel zal zeggen als Gods hand tegen hem zou zijn en alles hem zal worden afgenomen (1:11) en nog een keer als hem ook nog zijn gezondheid wordt afgenomen (2:5)
    • Zijn vrouw geeft Job als tip: “volhard je nog in je vroomheid? Zeg God vaarwel en sterf (2:9)”
  • In plaats van God vaarwel zeggen, zegt Job:
    • Naakt ben ik uit de schoot van mijn moeder gekomen, naakt zal ik daarheen wederkeren. De HEER heeft gegeven, de HEER heeft genomen, de naam van de HEER zij geloofd” (1:21)
    • Als antwoord op de tip van zijn vrouw: “zouden wij het goede van God aannemen en het kwade niet?” (2:10)

 Opmerkingen bij Job 3.

Hier zegt Job, nadat zijn vrienden zeven dagen en zeven nachten zwijgend bij hem op de grond gezeten hebben:

  • Job 3:3-10: Was ik maar nooit geboren
  • Job 3:11-19: Waarom ben ik niet bij mijn geboorte gestorven?
  • Job 3:20-26: Waarom rekt God mijn zware leven zo lang?

Poëzie.

Job 3 – 42 is poëzie. In Hebreeuwse poëzie komt vooral veel parallellisme voor. In andere woorden wordt hetzelfde nogmaals gezegd. Het gaat daarbij vooral om ritme. Grotere eenheden van verschillende ‘coupletten’ van gedichten lopen vaak parallel aan elkaar. We bekeken dat in Job 7. Daar zie je dat elk couplet begint met de mens (1-3, 9, 17-18). Het eerste en het derde ‘couplet’ eindigt met ‘God, straks kijkt u naar me, zoekt u me, maar ben ik er niet meer’ (vers 8 en vers 21), tenminste, als Job doet wat hij in het slot van het tweede couplet (vs 15) zegt.

Jobs grote vragen.

Twee thema’s spelen een grote rol en worden in Job 7 nadrukkelijk uitgesproken:

  • God, U kunt me straks in het dodenrijk niet meer vinden…. Dit is haast een soort waarschuwing aan God, zoiets als: “God, als ik er niet meer ben, kunt U mijn overtredingen niet meer wegnemen”. God zal hem niet meer kunnen vinden als hij dood is. Het dodenrijk is voor Job overduidelijk de plaats waar God niet is. In voorstellingen van het hele Oude Oosten is de aarde plat en staat deze op pilaren midden in een soort kosmisch ei. Boven dat ei strekt het uitspansel zich uit als een soort glazen bol waaraan de zon, maan en sterren is opgehangen. Achter dat uitspansel is volgens Genesis 1 water. De aarde staat op pilaren op de bodem van het kosmische ei. Tussen die pilaren is het dodenrijk. Over dat dodenrijk heeft Job het hier als hij zegt dat God daar niet is.
  • Niemand lijdt onschuldig. Job is opgegroeid met het idee dat het kwade over slechte mensen komt en niet over goede. Nu hemzelf zoveel ellende is overkomen, peperen zijn vrienden dat nu bij hem zelf in. Dat komt hard bij Job aan. Want Job worstelt met hoe hij het ‘op catechisatie’ heeft geleerd: ‘dat de rechtvaardige in dit leven voorspoed heeft en de schuldige op aarde roemloos sterft’. God zal hem dus moeten vergeven, ook al weet Job niet wat hij verkeerd heeft gedaan. En dan mag het toch niet gebeuren dat hij voor die tijd zou sterven, want in dat dodenrijk is God immers niet.

Op weg naar een antwoord (?)

Vooral met die twee thema’s gaat het boek Job verder. Het loopt uit op een enorme ‘ruzie met de rouwvisite’. Job wordt razend op zijn vrienden met hun makkelijke antwoorden (Job 26:1-4) en hij spreekt uit dat God toch wel degelijk ook in het dodenrijk zal zijn (Job 26:5-6). Direct daarna (Job 27:5-6) weigert Job zich nog langer schuldig te noemen. Hij is onschuldig. Zijn vrienden hebben het mis. Ze zijn niet langer zijn vrienden. Vijanden zijn ze. En als God hem alles afgenomen heeft omdat God dacht dat hij schuldig zou zijn, dan heeft ook God het mis.

Er volgt een antwoord van God, dat alleen geen antwoord geeft. In vier hoofdstukken gaat God niet op Jobs vragen in, maar schetst Hij alleen hoe groot God is. En dat je je niet eens een voorstelling van de grootheid van God maken kunt. Dat sluit aan bij wat op de tweede avond werd verteld over de Naam van God. God maakt zich wel bekend, maar blijft een vreemde. Geen mens heeft hem in zijn broekzak.

Job 42.

In Job 42 lijkt het dat Job alles herroept. Dat hij hier zegt dat hij het verkeerd gezien heeft. Met de vertaling van vers 6 ben ik het niet eens. Ik lees dit vers eerder als: ‘Daarom kap ik ermee en zie ik af van stof en as’. Job verwerpt hier niet wat hij eerder gezegd heeft, want zo dadelijk wordt hij geprezen dat hij ‘goed over God heeft gesproken’ (vers 5). Hij verwerpt wel wat zijn zogenaamde vrienden allemaal vinden en vonden, maar hij scheidt er nu vooral mee uit. Nu heeft hij Gods grootheid gezien. Zeker, hij snapt er nog geen bal van waarom het hem allemaal is overkomen, maar hij kan wel weer verder en ziet af van stof en as. Hij wil stoppen met rouwen en denkt dat hij weer verder kan.

Dan moet Job van God bidden voor zijn vrienden. “Zij hebben niet recht van mij gesproken zoals mijn knecht Job”. Let op de omkering: die keurige vrienden met hun vrome woorden worden hier zelfs neergezet als kwaaddoeners.
En Job? Hij krijgt al zijn bezit weer terug. Dubbel. En krijgt opnieuw zeven zonen en drie dochters, waarbij de namen van de dochters opvallen: Jemima (Tortelduifje), Kesia (Kaneelbloesem) en Keren-Happuk (Poederdoosje). Aan die naamgeving te zien, lijkt het er op dat Job weer kan genieten, hoe is het mogelijk…

Zo worstelt het boek Job met de vraag naar het lijden. Hoe kan het dat het kwaad ook onschuldige mensen treft? Het boek geeft geen antwoord. Of toch: het antwoord op de vraag naar God en het lijden is dat je die vraag volop mag stellen. Met heel je boosheid zelfs. En dat Job van God dan nog gelijk krijgt ook.


website van Aart C. Veldhuizen, www.aartveldhuizen.nl


Cookies helpen ons onze services te leveren. Door onze services te gebruiken, geeft u aan akkoord te gaan met ons gebruik van cookies. OK