Protestantse Gemeente Sneek

23 september 2012

 

Afscheidsdienst

 

Voorganger: ds Aart C. Veldhuizen

met

Jesse de Vries, Riekje de Haan - Room, Sytske Kooij – Jacobsma en Leo van der Burg.

 

Met medewerking van

het Martini Jongenskoor Sneek onder leiding van Maarten Romkes.

Organist: Carl Visser uit Oldemarkt.

 

Tot 9.50 uur is er kofjetiid: koffie achter de preekstoel

 

Hartelijk welkom in de Martinikerk!

Een afscheidsdienst is een moment van terugkijken. Wat mij betreft: terugkijken in dankbaarheid voor acht mooie jaren die we met elkaar hebben gehad. Acht jaren waarin er wel eens wat was, maar waarin we samen zijn opgetrokken en erg veel met elkaar hebben meegemaakt. En dat spreken we natuurlijk ook tegen elkaar uit.

Een afscheidsdienst is ook een moment van afsluiten. Dat roept weemoed op. Er zijn hechte banden ontstaan en het kost dan moeite om elkaar als wijkdominee en gemeente los te laten. Ook daarvoor is deze dienst bedoeld, om het moment te markeren dat we niet langer als wijkdominee en gemeentelid verbonden zijn.

Maar een afscheidsdienst is vooral een heel gewone dienst. Net zo bijzonder als elke zondag, waarin we de Schriften openen en samen zoeken naar woorden die ons dragen. Een goede dienst gewenst!                                                                                                                                                                                Ave.

 

9.50 uur: Orgelspel.

Tegen 10.00 uur komt de kerkenraad binnen.

 

Dienst van de voorbereiding.

 

Exact 10.00 uur : Uit het Oosterkoor zingt M-Majeur (de mannen van het Jongenskoor):

 

Thomas Tallis (1505-1585), “O nata lux”.

O nata lux de lumine,

Jesu redemptor saeculi,

Dignare clemens supplicum

Laudes precesque sumere.

 

Qui carne quondam contegi

Dignatus es pro perditis,

Nos membra confer effici

Tui beati corporis.

 

O Licht geboren uit Licht,

Jezus, verlosser van de wereld,

verwaardig u de lofzangen en de gebeden

van uw smekelingen te aanvaarden.

 

Gij, die u eens hebt verwaardigd met vlees te worden bekleed terwille van hen die verloren waren,

geef dat wij ledematen mogen worden

van uw zalig lichaam.

 

Hartelijk welkom in de Martinikerk.

Ik was toch even lichtelijk bezorgd. Her en der heb ik namelijk ook op het internet gezegd dat iedereen welkom was, niet op Facebook, maar wel op Linked-in en op nog een paar van die sociale media, maar gelukkig passen we er allemaal ruim in en zijn er ook geen relletjes ontstaan. Nog niet tenminste.

Een hartelijk welkom aan mijn wederzijdse ouders, broer, zus, schoonzussen, zwagers, vrienden van ver of dichtbij, bijzonder voor mij dat jullie zo om me heen staan. Welkom aan vertegenwoordigers van Zorggroep Plantein en de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden, vertegenwoordigers van andere kerken en de moskee, en al die anderen die ik vergeet te noemen. Een hartelijk welkom aan het Martini Jongenskoor Sneek, met hun splinternieuwe dirigent Maarten Romkes die vandaag in de Martinikerk debuteert en organist Carl Visser op het orgel die de vakantie vierende Dirk Donker vervangt. Met elkaar hebben we onvergetelijke dingen gedaan. Wat mooi dat jullie ook vandaag in de afscheidsdienst wilden komen zingen.

En natuurlijk een hartelijk welkom aan u allen, lieve gemeenteleden uit Sneek en ook uit Ysbrechtum, Turns, Tjalhuzum, gekomen naar hier om afscheid te nemen. Bijzonder om u hier zo te zien, mensen met wie en onder wie ik met plezier mocht werken en van wie ik veel vertrouwen heb gekregen.
Afscheid nemen doen we in een gewone dienst, waarin we af en toe wat tegen elkaar zullen zeggen.

 

Aansteken van de tafelkaarsen.

 

We zingen Psalm 149 vers 1, 2 en 3:

 

1.       Halleluja! laat opgetogen

een nieuw gezang den Heer verhogen.

laat allen die Gods naam belijden

zich eensgezind verblijden.

Volk van God, loof Hem die u schiep;

Israël, dank Hem die u riep.

Trek, Sion, in een blijde stoet

uw Koning tegemoet.

 

2.       Laat het een hoge feestdag wezen.

De naam des Heren wordt geprezen

met het aloude lied der vaad'ren.

De heil’ge reien naad'ren.

En zo danst in het morgenlicht

heel Gods volk voor zijn aangezicht

en slaat de harp en roert de trom

in 's Heren heiligdom.

 

3.       De Heer gedenkt in gunst de zijnen.

Hij kroont de zwakken en de kleinen.

Hij kent de stillen in den lande,

het heil is nu ophanden.

Weest verheugd, die den Heer verbeidt,

nu Hij komt en u zelf bevrijdt.

Prijst dan zijn naam bij dag en nacht

en roemt zijn grote macht.

 

Voorg: Onze Hulp is in de Naam van de HEER
Allen:   die hemel en aarde gemaakt heeft
Voorg: die trouw houdt tot in eeuwigheid

Allen:   en het werk van zijn hand niet los laat
Voorg: Amen.

We gaan zitten.

 

Aanhef gebed om ontferming:

 

Voorg: Wie we ook zijn, waar we ook vandaan komen,
we kennen het wel,
dat er momenten zijn dat je een nieuwe weg in slaat,
dat je aan iets nieuws begint.

Jesse:   Ik weet van mensen die gingen verhuizen.
Ze hadden wel zin in hun nieuwe huis,
maar ze vonden het ook jammer om hun oude huis te verlaten.
Ze konden hun vrienden dan niet meer zo vaak zien.

Ds Aart: Ja, dat is lastig, dat heb ik zelf ook vaak meegemaakt.
Gelukkig hoef ik nu niet te verhuizen. En jij ook niet.

Jesse:   Ik weet ook wel van mensen die uit elkaar gaan omdat het niet meer gaat, omdat er altijd ruzie is.
En ik weet ook van mensen die elkaar niet meer zien omdat er iemand is gestorven.

Ds Aart: Ja, dan moet je pas echt afscheid nemen. Daarmee vergeleken stelt deze afscheidsdienst niets voor.

Jesse:   Van televisie weet ik ook van mensen die zelfs moeten vluchten. Ze moeten afscheid nemen van hun land omdat het er te gevaarlijk is en ze niet meer veilig kunnen leven waar ze nu zijn.

Voorg: Precies. Wij nemen vanmorgen afscheid in vrede. Gelukkig maar. En toch komen er zomaar een heleboel gevoelens boven, want we hebben een hoop beleefd met elkaar. En om dat allemaal, en om die plaatsen waar mensen afscheid van elkaar moeten nemen omdat het niet meer gaat en om al die plaatsen op deze wereld waar geweld te keer gaat, om de waanzin in Syrië en in Haren en op zoveel andere plaatsen, roepen wij God om ontferming:

Als gebed om ontferming zingt het Martini Jongenskoor het “Kyrië” uit de Missa Portae Honoris van Charles Wood (1866-1926):

Lord, have mercy upon us,
Christ, have mercy upon us,
Lord, have mercy upon us.

Heer, ontferm U over ons,
Christus, ontferm U over ons,
Heer, ontferm U over ons.

Voorg: We roepen tot God om ontferming. En we prijzen zijn Naam, want zijn barmhartigheid kent geen einde. Hij is te prijzen tot in eeuwigheid.

Het Martini Jongenskoor zingt het “Gloria in excelsis” uit de Missa Portae Honoris van Charles Wood:

Voorg: Glory be to God on High.

And in earth peace,
goodwill towards men.
We praise thee, we bless thee,
we worship thee, we glorify thee.
We give thanks to thee, for thy great glory.
O Lord God, Heavenly King,
God the Father Almighty.
O Lord, the only begotten Son Jesu Christ.
O Lord God, Lamb of God, Son of the Father.
That takest away the sins of the world,
have mercy upon us.
Thou that takest away the sins of the world,
receive our prayer.
Thou that sittest at the right hand
of God the Father, have mercy upon us.
For thou only art holy, thou only art the Lord,
thou only O Christ.
With the Holy Ghost art most high
in the glory of God, the Father.
Amen

 

Eer aan God in den hoge,

En vrede op aarde
voor mensen van zijn welbehagen.
Wij loven U, wij vereren U,
wij zegenen U, wij verheerlijken U
wij danken U voor uw heerlijkheid.
o Heer God, Koning des hemels,
God, onze Vader almachtig.
O Heer, eniggeboren Zoon, Jezus Christus,
O Heer God, Lam van God, Zoon van de Vader.
Die de zonden der wereld wegdraagt,
ontferm U over ons;
die de zonden der wereld wegdraagt,
hoor ons gebed;
Gij, die gezeten zijt aan de rechterhand
van God de Vader, ontferm u over ons.
Want Gij alleen zijt heilig, Gij alleen de Heer,
Gij alleen o Christus.
Met de heilige Geest
i
n de heerlijkheid van God de Vader.
Amen.

Dienst van de Schriften.

Voorg: De HEER zal bij u zijn!
Allen:   De HEER zal u bewaren!

Laat ons bidden.

Eeuwige God, hier in de kerk en bij de kindernevendienst en bij de tieners die vandaag voor het eerst in het Tussenuur van de Martinikerk bijeen komen in Pand 44, openen net als de generaties voor ons de Schriften. Maak ons leeg en sta ons bij om als met nieuwe ogen naar onszelf te kijken en te beseffen dat Uw armen om ons zijn, opdat we in dat vertrouwen verder kunnen, vandaag en morgen
en altijd. Amen.

 

Voor alle kleine en grote oren:

 

Afgelopen woensdag, ik wist niet wat ik zag, lag deze kaart in de bus. Wil je even voorlezen wat daar staat? Het is een kaart van Rode Kater. Rode Kater woont hier in de Martinikerk. Hij woont hier om ervoor te zorgen dat er geen muizen komen. Ik heb vaak gesprekken met Rode Kater. Hij helpt me om de verhalen hier nog beter te vertellen. Vandaag het laatste verhaal.

De laatste keer ben ik hier als dominee van jullie. Dat is best lastig, weet je dat? Want ik heb hier in Sneek een mooie tijd gehad en ontzettend genoten. En ik ben van een heleboel mensen gaan houden. Ik zou die mensen wel willen meenemen. Maar dat kan niet. Ik vertrek. Ik ga wat anders doen. Jullie blijven hier en krijgen weer een nieuwe dominee. Twee zelfs: Fedde Welbedacht en Jan Willem Nieboer. Ik kan jullie niet meenemen. Op eentje na dan.

 

- ds Aart haalt van onder de kansel een transportkooi voor katten vandaan –

 

Ik was hier vanmorgen al vroeg. Er was nog niemand in de kerk, alleen de koster. Als ik de kerk binnenkom, loop ik meteen door naar een plek waar ik vaker kom. Daar, door de grote deur, het Westerkoor in. Als altijd neem ik de achterste trap. Als altijd doe ik bij die ene tree voorzichtig om het schoteltje melk niet om te stoten. Als ik boven kom, zie ik hem: Rode Kater. We maken vaak een praatje. Ik heb hier vaker over hem verteld.

“Wat kom je doen, dominee Aart?” vraag Rode Kater.

Ik zie dat hij op zijn hoede is, anders dan anders.

“Is er wat?” vraag ik.

“Ja”, zegt hij. Hij kijkt naar de transportkooi voor katten, die ik in mijn rechterhand houd.

“Jij gaat hier weg. En dat vind ik niet leuk. Maar wat is dat voor een ding?”

“Dat is een transportkooi. Ik wil je meenemen. Ik ben van je gaan houden. Wil je alsjeblieft met me mee gaan? Want Ik zou je het liefste in een doosje willen doen. En je bewaren, heel goed bewaren. Dan laat ik je verzekeren voor anderhalf miljoen. En telkens zou ik eventjes het doosje opendoen. En dan strijk ik je zo zachtjes langs je haren. Dan lig je in de watten en niemand kan erbij. Geen dief die je kan stelen, je bent helemaal van mij.”

“Dat is lief”, zegt Rode Kater, “maar dat gebeurt niet. Ik ga niet met je mee.”

Daar sta ik, met die kooi in mijn handen. Bij Rode Kater. En hij wil niet mee.

“Nee, ik ga niet mee. We hebben hier veel samen gepraat en dat was fijn. Maar ik hoor hier. Jij hoort straks ergens anders. Ik kom wel weer andere mensen tegen die lief voor me zijn. En jij ook.”

Ik kijk in de ogen van Rode Kater. Er komen tranen uit. Twee grote tranen biggelen over zijn wangen. Bij mij ook. Rode Kater heeft gelijk. Ik kan hem niet meenemen. En ik kan jullie ook niet meenemen. Ik ben niet de belangrijkste van de hele wereld. En jullie zijn niet mijn bezit. Straks zijn hier twee andere dominees, vast heel anders dan ik, maar dat geeft niet. En ik zeg:

“Rode Kater, je hebt gelijk. Ik kan je niet meenemen. Jij hoort hier.”

Wat er daarna gebeurde? Ach…. Rode Kater en ik, we zijn naar elkaar toegelopen. Ik sloeg mijn armen om zijn koppie en hij legde zijn pootjes op mijn schouders. We omarmden elkaar. We huilden. Allebei. En toen gingen we neuzen, met onze neuzen tegen elkaar. Dat heeft hij mij geleerd, snoezelen heet dat. En nu sta ik hier. Met deze transportkooi voor katers. Er zit geen kater in. Rode Kater blijft hier. Maar hij blijft niet alleen hier. Alle verhalen die ik ooit over hem vertelde, blijven ook hier. Een stel van die verhalen heb ik gebundeld. De mevrouw van Puks Copyshop heeft er een boekje van gemaakt. Eentje is voor jullie, voor de kindernevendienst. Eentje voor Jesse die vandaag kind van dienst is. Eentje is voor de hele wijk, en dat exemplaar geef ik aan voorzitter Sytske Kooij. En het hele boekje is opgedragen aan kosteres Jennie van Breda, die in alle verhalen voorkomt.  Hier, neem de boekjes maar mee als jullie naar de nevendienst gaan. Tot straks!

 

Als u het boekje zelf wilt hebben, kan dat tegen kopieerkosten van iets meer dan 5 EURO. Loop even langs Puks Copyshop in de Scharnestraat.

 

1e lezing: Psalm 122 gezongen door het Martini Jongenskoor Sneek, in een zetting van G. C. Martin:

 

 

 

 

I was glad when they said unto me :

     We will go into the house of the Lord.

Our feet shall stand in thy gates :

     O Jerusalem.

Jerusalem is built as a city :

     that is at unity in itself.

For thither the tribes go up, even the tribes of the Lord :

     to testify unto Israel, to give thanks unto the   

     Name of the Lord.

For there is the seat of judgement :

     even the seat of the house of David.

O pray for the peace of Jerusalem :

     they shall prosper that love thee.

Peace be within thy walls :

     and plenteousness within thy palaces.

For my brethren and companions' sakes :

     I will wish thee prosperity.

Yea, because of the house of the Lord our God :

     I will seek to do thee good.

 

Glory be the the Father and to the Son :

     and to the Holy Ghost.

As it was in the beginning is now and ever shall be : world without end. Amen.

(vertaling NBG 1951)

1 Een bedevaartslied. Van David.

 

Ik was verheugd, toen men mij zeide:

Laten wij naar het huis des HEREN gaan.

2 Onze voeten staan in uw poorten,

o Jeruzalem.

3 Jeruzalem is gebouwd als een stad,

die wèl samengevoegd is;

4 waarheen de stammen opgaan, de stammen des HEREN.

Een voorschrift voor Israël is het de naam des HEREN te loven.

5 Want daar staan de zetels ten gerichte,

de zetels van het huis van David.

6 Bidt Jeruzalem vrede toe:

mogen wie u liefhebben, rust genieten;

7 vrede zij binnen uw muur,

rust in uw burchten.

8 Om mijn broeders en mijn vrienden

wil ik zeggen: vrede zij in u;

9 om het huis van de HERE, onze God,

wil ik het goede voor u zoeken.

 

(eer zij de Vader en de Zoon
en de heilige Geest
als het was in het begin en nu en altijd zijn zal
wereld zonder eind. Amen.)

 

2e lezing: Markus 9:30-37, gelezen door scriba Riekje de Haan.

 

We zingen Gezang 446 in wisselzang:

                (allen)

1.       O Jezus, hoe vertrouwd en goed

klinkt mij uw naam in 't oor,

uw naam die mij geloven doet:

Gij gaat mij reddend voor;

 

                (mannen)

2.       uw naam die onze wonden heelt

en ons met manna spijst,

die onze dood en zonde deelt

en onze vrees verdrijft.

 

                (vrouwen, kinderen)

3.       Mijn herder en mijn held, mijn vriend,

mijn koning en profeet,

mijn priester die mijn schuld ontbindt,

mijn weg waarop ik treed;

 

                (orgelspel)

4.       al wat ik doe, al wat ik wil,

het is te zwak, te koud,

maar sterk en vurig wordt de ziel

wanneer zij U aanschouwt.

 

                (mannen)

5.       Zolang Gij nog onzichtbaar zijt,

een zon diep in de nacht,

roep ik uw nadering reeds uit

omdat ik U verwacht.

 

                (vrouwen, kinderen)

6.       O Jezus, hoe vertrouwd en goed

klinkt mij uw naam in 't oor,

als ik van alles scheiden moet

gaat nog die naam mij voor.

 

                (allen)

7.       O naam, eeuwige ademtocht,

een sterveling ben ik,

als eens mijn eigen adem stokt

dan draagt mij uw muziek.

 

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

 

Afgelopen vrijdag leidde ik in woonzorgcentrum Bloemkamp in Bolsward voor het eerst het ‘zingen in de kapel’, bedoeld voor mensen met allerlei vormen van dementie. Het gaat er om het gevoel, niet om kennis. Het gaat er om de sfeer, niet om woorden. Prachtig om te doen.

 

“Ik heb iets voor u meegenomen”, zei ik tegen de mensen in de kring, “een foto. Die wil ik u laten zien.”

Ik loop de kring rond, houd iedereen een grote foto van mijn dochter als baby’tje voor. En ik zeg tegen iedereen:

“Kijk, een baby. U bent ook een baby’tje geweest.”

Sommigen kijken me verdwaasd aan. Ik zeg nog een keer: “U bent ook een baby’tje geweest”. De één zegt: “Ja, natuurlijk”. Een ander: “Hoe weet u dat?” De derde zegt stellig: “Nee, ik niet hoor”.

Ik houd vol: “Jawel, u bent ook een baby’tje geweest. En uw moeder of vader hield u vast. En ging u wiegen op de arm.” Ik doe het voor. En de bewoner begint te stralen. Een glimlach die doorbreekt, dat is een kostbaar moment.

 

Dat is mijn nieuwe werkomgeving. Ik begin ermee, want ik sta hier een beetje ontheemd. Ik zag ontzettend uit naar deze dienst en had er zin in om na een aantal weken dat ik al elders werk hier nu echt afscheid te nemen van elkaar. Maar het is lastig. Want wat moet ik zeggen, nu ik nog één keer hier als jullie dominee het woord voer, en alle ogen op mij gericht zijn, nog meer dan anders? Ik  kan hier niet volstaan met het rondgaan van de foto van mijn dochter, met laten zien hoe een kindje wordt gewiegd en het zingen van ‘Veilig in Jezus armen’ en nog een paar van zulke liedjes.

Ik deed wat ik altijd deed. Ik ging er voor zitten, stelde samen met anderen de liturgie op, maakte een werkvertaling, zocht uit wat er precies staat, noteerde ideeën…. Maar het stokte bij me. Er kwam te veel. Veel te veel, pagina’s vol tekst. Ik leek wel weer een beginneling die van alles in zijn preek wil stoppen. Gistermiddag besefte ik opeens: ik sla mijzelf over in mijn geploeter met deze preek. Waar word ik eigenlijk zèlf geraakt in dit gedeelte? En waar slaat het op ons als gemeente in de afgelopen acht jaar? Als ik daar aan voorbij zou gaan, wordt dit een preek die niet deugt.

 

En Jezus zei tot hen: “De Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van de mensen
en zij zullen hem ter dood brengen en drie dagen na zijn dood zal Hij opstaan.”

 

Eerlijk gezegd wist ik dat al. De verzen verrassen me helemaal niet. Hoewel, het is natuurlijk wel heel fundamenteel en past ook mooi bij de rest van de lezing. Maar we hebben het daar al zo dikwijls over gehad. Ik moest er een beetje van zuchten. Wil ik het daar vandaag wel over hebben? De leerlingen durven Jezus er niet naar te vragen, zo staat er. Loop ik ook weg voor dat geheim dat Hij zichzelf weg geeft? Ik wilde die aankondiging van het lijden wegpraten met de opmerking dat het meer iets is voor in de veertigdagentijd en de Stille Week. Is er schroom bij me om het daar over te hebben? Hoe kan het toch dat ik er moe van wordt om te lezen dat Jezus overgeleverd wordt in de handen van de mensen die Hem zullen doden? Is het omdat ik dat allang weet en ik me er niet meer door laat schokken? Is de zucht omdat ik besef dat het telkens weer opnieuw gebeurt? Of is het omdat ik het daar liever niet over wilde hebben in mijn afscheidsdienst en liever een prettiger Bijbelgedeelte voor de preek uit wilde kiezen?

Wrang is het wel dat ik er van moest zuchten: Jezus valt in de handen van de mensen, de Mensenzoon wordt uit ons midden gebannen en ik sta me hier af te vragen of ik het daar wel over wil hebben. En zo gebeurt het opnieuw, wordt Hij opnieuw overgeleverd en valt Hij nu in de handen van een kerk en een dominee die liever een gezelliger onderwerp voor de dienst had gekozen. Zo maken we Hem telkens weer onschadelijk.

 

En dan is Jezus thuis, zo staat er. Thuis in Kapernaüm. Dat staat er niet voor niets, Marcus gebruikt niet zoveel woorden, maar geen woord staat er voor niets. Als de discipelen niet willen horen dat Hij in handen zal vallen van mensen die Hem willen overleveren en doden en Hij op zal staan, dan is Hij weer helemaal thuis. Van een koude kermis thuisgekomen. Straks valt Hij in de handen van mensen die hem overleveren. Nu al in is Hij in de handen gevallen van leerlingen, die niet stil willen staan bij de weg die Hij gaat.

Aldus thuisgekomen vraagt Jezus: “waar hadden jullie het onderweg over?”

 

Wacht even. Jèzus stelt een vraag? De léérlingen hadden een vraag moeten stellen! Daarnet, toen Hij zei dat Hij zou worden overgeleverd in de handen van de mensen, toen hadden ze Hem moeten vragen: “waar heeft U het over? Overgeleverd? Gedood? Wat bedoel je precies, Jezus?” Maar dat doen ze niet. Ze willen er niet bij stil staan. Ze beginnen te praten wie de meeste was. De grootste.

 

Nou ja, dat is natuurlijk ook het doel. Toch? “Ik wil een ton verdienen voor ik 30 ben”, zei een vriend ooit. En het lukte hem. Groot worden, rijk worden, meer worden, beter worden. Dat willen we toch? Daar is ons hele economische systeem op georiënteerd. Als je mensen maar prikkelt om geld te verdienen kun je via die prikkels een economisch systeem op bouwen. Maar als er iets haaks staat op de lezing van vanmorgen, dan is het wel dat verderfelijke kapitalistische systeem.

 

Een verhaal. Gehoord in de afgelopen week:

Iemand had een goede baan, maar was het werken en alle stress zat. Hij merkte dat hij niet meer aan zichzelf toe kwam, dat hij niet meer aan zijn kinderen toe kwam en niet meer aan zijn vrouw, en hij gaf van de ene op de andere dag zijn baan op. Hij wilde geen slaaf meer zijn van zijn werk.

“En je huis dan?”

Dat moesten we verkopen.

“Met verlies?”

Ja, met verlies.

Ze moesten verhuizen, kleiner gaan wonen, Rond gaan komen van het kleine deeltijd inkomen dat zijn vrouw binnen bracht. Maar hij had opeens aandacht, volle aandacht, voor zijn vrouw, voor zijn kinderen, en hij had aandacht en alle tijd voor de mensen om hem heen.

 

Ja, zo kan het ook. Maar het kan eigenlijk ook niet. Als we dat allemaal gaan doen, stort de economie zelfs in. Dat willen Rutte en Samson niet. En ik ook niet. Ik wil ook in mijn lekkere huis blijven wonen en mijn autootje blijven rijden, al heb ik die net in de prak gereden, en me ook verder ontplooien. Werken, hard werken en streven naar meer. Daar groei ik zelf van. En als we aanpakken met zijn allen, komt er weer groei in de economie. Dan gaat de banenmotor weer groeien. En daar schijnen we gelukkig van te worden, alle idioten ten spijt die hun baan opgeven en op een sobere manier naar hun gevoel pas echt gaan leven. Hard werken, daar schijnen we gelukkig van te worden.

Het is ook de taal van de kerk. We moeten groeien als kerk, wordt gezegd. We moeten mensen trekken, van allerlei dingen gaan doen om weer een rol te spelen in de samenleving. Van alles wordt er bedacht en overhoop gehaald, alsof de kerk ook marktconform moet zijn. Of is het misschien toch anders, en moeten we gewoon maar eenvoudig dienen, klaar staan voor mensen die het moeilijk hebben, niet meer, maar zeker niet minder? Ik denk het.

Ze hadden er dus over gesproken wie de meeste was. De grootste. En dan zegt Jezus:

“Wie de eerste wil zijn, die zal de allerlaatste zijn.

En aller dienaar.”

Dat is radicaal. Het bevalt me eigenlijk helemaal niet. Ik word er kriebelig van. En dan moet ik opletten, want als een Bijbeltekst me niet bevalt, dan is er een Ander aan het woord. Iemand van Boven die me door elkaar wil schudden en me voor even anders wil laten kijken.

Er wordt les gegeven, kijk maar mee. Jezus pakt een kind bij de hand en trekt het kind naar zich toe. Het is een kind van hooguit zeven jaar oud. Hij omarmt het kind. Bij ons is een kind onschuldig, lief en vertederend. In de tijd van de Bijbel wordt er anders naar een kind gekeken. Een kind is daar vooral hulpbehoevend. Een kind redt het niet alleen, heeft hulp nodig.

Ik moet denken aan een kraamvisite toen onze oudste zoon net geboren was. Ik verschoonde hem op de commode. De zoon van een vriendin, een leuk knulletje van een jaar of 10, stond naast me. Hij vond ons mannetje prachtig en dat is ‘ie ook. Hij raakte zijn vingertjes en de teentjes aan en zoende ze. En zei toen zomaar plompverloren: “Je zou hem zomaar met een hamer de hersens kunnen inslaan.” Zijn moeder werd vloog op: “Jongen, wat zeg je nu!?” Ja, natuurlijk. Moeder heeft gelijk. Zoiets zeg je niet. Maar de jongen had ook gelijk. Zo’n kindje, die zou je zomaar….. Zo kwetsbaar, zo totaal overgeleverd aan de mensen.

Als Jezus hier een kind omarmt, doet Hij dat om onze aandacht te richten op een kind dat hulp nodig heeft, op een hulpbehoevende. Hij slaat zijn armen om het kind heen. Ik wil dat kind wel voor even zijn, want nu ik de radicaliteit van dit Bijbelgedeelte tot me door laat dringen, voel ik me weer een kind dat het niet weet.

Ken je dat ook? Dat onbestemde gevoel dat je overkomt als je naar je leven kijkt, naar de stappen die je gezet hebt en dat je denkt: “Is dit het nou? Waar ben ik eigenlijk mee bezig? Ben ik nou aan het dienen, of ben ik alleen maar bezig om meer en belangrijker te worden?” Het kromme is, dat ik ook nog eens moet oppassen dat ik dit hier zeg om daarmee vandaag indruk te maken. Is het gek dat ik dat heb?

Hij pakt me vast en omarmt me. Hij omarmt me. Wiegt me als een zuigeling. Dat is mooi. Daar had ik eigenlijk altijd over heen gelezen. Dat Jezus kinderen omarmt, staat alleen in Marcus. Matteüs en Lucas, die het boekje Marcus als bron hebben gebruikt, laten weg dat Jezus dit kind omarmt. Waarom vermeldt Marcus dat Jezus een kind omarmt?

Heel bewust. Marcus zegt geen woord voor niets. Eerst zegt Marcus dat Jezus zal worden overgeleverd in de handen van de mensen. In de handen, niet in de armen. Handen gaan over kracht. Handen hanteren wapens, een hamer. En spijkers. Uit handen komt geweld voort, uit armen ontferming. Armen omarmen, geven warmte en houvast. Aan de ene kant armen die omarmen, die een kind wiegen tot er een glimlach doorkomt, aan de andere kant handen die kwaad willen.

Hij die zelf in de handen van kwaaddoeners zal vallen, neemt een kind in zijn armen. Een kind dat zomaar kan worden overgeleverd in de handen van iemand die kwaad wil, zoals Jezus dat zal worden. En Hij zegt:

“Wie één van deze kinderen ontvangt in mijn naam, die ontvangt mij.”

Daar zijn we bij ons levensdoel en bij de opdracht van de kerk. Vanuit het weten dat Hij ons omarmt, mogen wij anderen die hulpbehoevend zijn ontvangen in zijn naam en hen omringen met onze zorg. Daar ben ik op mijn manier hier acht jaar mee bezig geweest, en u deed mee, of trok voor me uit. Het heeft een band gegeven met velen van u. Een band die lastig is om los te maken.

Was het dienen wat ik deed? Ja, dat was het. Maar er was ook eigenbelang bij. Er speelt altijd eigenbelang bij. Op zich is dat niet erg, als je het je maar bewust bent. We blijven mensen in een wankel evenwicht, een labiel evenwicht vaak tussen goede bedoelingen en egoïstische trekjes in. Maar dan komt er vandaag in deze afscheidsdienst zo’n Bijbelgedeelte voorbij dat je in de spiegel doet kijken. Lastig. Het roept vragen op, vragen die je mogelijk even stil zetten zoals ze mij hebben stilgezet in de afgelopen week.

Met die vragen laat ik u hier achter en beëindig ik vandaag mijn laatste preek als predikant van Sneek. Het zijn vragen om mee te nemen, lastige vragen, trage vragen, die je aanzetten om opnieuw naar je leven te kijken en jezelf af te vragen of dit de weg is die je wilt gaan en of dit de weg is die tot heil voor jezelf en je medemens leidt.

Met het oproepen van die vragen en met het te binnen roepen van Gods armen die u dragen, die u wiegen tot er weer een glimlach op uw gezicht doorbreekt, laat ik u nog even om het hoekje kijken van mijn nieuwe werk.

Daar zitten we. Links van mij zit een mevrouw. Ze wordt als één van de eersten in haar rolstoel binnengereden. Ik praat tegen haar, maar ze geeft geen antwoord. Hoort ze me wel? Ik leg mijn hand even op haar handen. Ik zeg: “Fijn dat u er bent. We gaan zo zingen”. Ze begint meteen al te zingen met de cd mee die op de achtergrond draait. Haar stem is hard, vals en hoog, is zelfs af en toe irritant als je niet zou zien hoe vol overgave ze zingt. Ze heeft haar handen samen en haar ogen dicht. En zingt. Er komen meer bewoners binnen. Ze zingt. De cd wordt uitgezet. Ze zingt. De organist begint te spelen. De mevrouw zingt door. Als ze de woorden kent, zingt ze die, als ze de woorden niet kent, schakelt ze over in een hard neuriën van de melodie. De wereld om haar heen? Ach, de wereld valt bij haar samen. Ze zingt en bidt tegelijkertijd. Als ik ga staan om iedereen via de microfoon welkom te heten en het eerste lied op te geven, en ze mijn stem hoort, stopt ze even met zingen. Maar bij het voorspel van het eerste lied begint ze alweer te zingen.

En ik denk: zij heeft de vrede al gevonden. Of is het de vrede die haar gevonden heeft?

Nu wij nog.

Lof zij U Christus, in eeuwigheid. Amen.

 

 

Als Anthem zingt het Martini Jongenskoor Sneek “O pray for the peace” van John Goss (1800-1880):

 

O pray for the peace of Jerusalem,

they shall prosper that love thee.

Peace be within thy walls,

and plenteousness within thy palaces.

For my brethren and companions' sakes,

I will wish thee prosperity.

Yea, because of the house of the Lord our God,

I will seek to do thee good.

O, bidt voor de vrede van Jeruzalem.

Hun die u liefhebben, zal het wèl gaan.

Vrede zij binnen uw muren

en overvloed in uw paleizen.

Omwille van mijn broeders en mijn vrienden
zal ik u voorspoed wensen.
Ja, vanwege het huis van de Heer onze God
zal ik trachten het goede te doen.

 

Dienst van gaven en gebeden.

Wijkvoorzitter Sytske Kooij neemt de leiding van de dienst over.

 

Collecte onder orgelspel.

 

We zingen Gezang 301, afgewisseld door toespraken:

 

1.       Wij moeten Gode zingen, halleluja,

om alle goede dingen, hallleluja,

al zijn wij vreemdelingen

in schande en in scha,

Gij zendt uw zegeningen, halleluja.

 

2.       Hij schenkt de levensadem,

Hij geeft de levensgeest,

in schande en in schade

is Hij nabij geweest,

aan al wie Hem aanbaden,

aan ieder die Hem vreest,

komt Hij, de Heer, te stade,

de minsten allermeest.

 

De kinderen komen terug uit de nevendienst en nemen afscheid.

 

3.       Al leeft uw volk verschoven

kyrieleison,

in 't land van vuur en oven,

in 't land van Babylon,

al is de hemel boven

voor mensen doof en stom,

nog moeten wij U loven

met stem en fluit en trom.

 

Woorden ten afscheid uit de kring van de Kerkenraad, collega’s en wijkraad Martinikerk.

 

4.       De lier hing aan de wilgen,

misericordia,

God zal ons niet verdelgen,

aan God zij gloria.

Zijn woord zal ons genezen,

halleluja,

zoals het was voor dezen

in Galilea.

 

Een paar woorden van mij.

 

5.       Wij moeten Gode zingen, halleluja,

de Heer van alle dingen

die leeft in gloria,

met alle stervelingen,

niets komt zijn eer te na,

wij moeten Gode zingen, halleluja.

 

Sytske:

                Laat ons bidden:

 

Eeuwige God,

U danken wij voor de acht jaren die achter ons liggen,

voor al wat vroeger en nu in onze kerken gebeurt.

We leggen voor U neer wat we in de afgelopen jaren gedaan hebben

de ene keer beter dan de andere keer,
maar in het vertrouwen dat U werkt aan deze wereld.
Maak ons telkens weer duidelijk dat U met ons meetrekt,

dat, of we nu van hier gaan of we hier blijven,
uw vrede bij ons is.
Zo bidden wij: HEER onze God, wij bidden U verhoor ons.


Jesse:  

God,
                Ik wil U bidden voor al die mensen waar dominee Aart gaat werken,
                oude mensen, die vaak niet veel meer kunnen.
                We danken U voor wie die mensen vroeger zijn geweest,
voor wat ze nog zijn.
We bidden U voor alle oudere mensen, de pakes en de beppes.

Wees bij hen als ze het moeilijk vinden om ouder te worden
en ze niet meer zoveel kunnen
en vergeetachtig worden,
zo bidden wij: HEER onze God, wij bidden U verhoor ons.


Leo:

                God,
                Ik wil U bidden voor de kinderen.
                Voor mijn eigen kinderen en voor die van anderen.

Zegen allen, die met kinderen werken,

in de kerk, in kindernevendienst, in tussenuur, bij ch@t, bij de Geestdrift diensten,
op de scholen en in de gezinnen.
Dat kinderen in vrede mogen leven
en mogen opgroeien tot mensen naar uw beeld.
Zo bidden wij: HEER onze God, wij bidden U verhoor ons.


Sytkse:

                Voor uw wereld, nabij en ver weg bidden wij.
                Voor vaders en moeders die kinderen groot willen brengen.
                Voor die generatie die op zoveel plaatsen het stokje moet overnemen,
                in de samenleving, maar ook in de kerk.
                Geef hen van uw Geest, zo bidden wij:

               

Sytske Hoor ons in de stilte waarin wij tot U zeggen wat we alleen zelf kunnen doen.

Stil gebed.

Het onze Vader wordt gezongen door het Martini Jongenskoor Sneek: “Pater Noster”, van Albert de Klerk (1917-1998):

 

Pater noster,

Qui es in caelis,

Sanctificetur nomen tuum.

Adveniat regnum tuum.

Fiat voluntas tua,

sicut in caelo et in terra.

Panem nostrum quotidianum da nobis hodie,

Et dimitte nobis debita nostra,

Sicut et nos dimittimus debitoribus nostris.

Et ne nos inducas in tentationem:

Sed libera nos a malo.

Onze Vader

die in de hemelen zijt,

uw naam worde geheiligd;

uw Koninkrijk kome;

uw wil geschiede,

gelijk in de hemel alzo ook op de aarde.

Geef ons heden ons dagelijks brood;

en vergeef ons onze schulden,

gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren;

en leid ons niet in verzoeking,

maar verlos ons van de boze.

 

 

De jongste kinderen kunnen uit de oppas gehaald worden. Daarna zingen we Gezang 460 in wisselzang:

                (allen)

1.       Loof de Koning, heel mijn wezen,

gij bestaat in zijn geduld,

want uw leven is genezen

en vergeven is uw schuld.

Loof de Koning, loof de Koning,

tot gij Hem ontmoeten zult.

 

                (jongenskoor)

2.       Looft Hem als uw vaad’ren deden,

eigent u zijn liefde toe,

want Hij bergt u in zijn vrede,

zegenend wordt Hij niet moe.

Looft uw Vader, looft uw Vader,

tot uw laatste adem toe.

 

                (allen)

3.       Ja, Hij spaart ons en Hij redt ons,

Hij kent onze broze kracht.

Hij bewaart ons, Hij ontzet ons

van de boze en zijn macht.

Looft uw Heiland, looft uw Heiland,

die het licht is in de nacht.

 

                (orgelspel)

4.       Snel vergaan de mensenkind’ren

als de bloemen op het veld.

God alleen is onverminderd

steeds dezelfde sterke held!

Looft de Heer van dood en leven,

Hem die onze dagen telt.

 

                (jongenskoor + allen)

5.       Engelen, zingt ja en amen

met de Koning oog in oog!

Zon en maan, buigt u tezamen

en gij sterren hemelhoog!

Looft uw Schepper, looft uw Schepper,

looft Hem, die het al bewoog!

 

Zegen (uitgesproken door Aart)

 

We blijven staan als het Martini Jongenskoor Sneek zingt: “An Irish Blessing (sept. 1968)” van James Edward Moore:

 

May the road rise up to meet you.

May the wind be always at your back.

May the sun shine warm upon your face;

the rains fall soft upon your fields and until we meet again,

may God hold you in the palm of His hand.

 

May the sun make your days bright.

May the stars illuminate your nights

May the flowers bloom along your path,

Your house stand firm against the storm.

And until we meet again..

 

Orgelspel.

 Terug naar alle preken

Na afloop is er een hapje en een drankje en ruimschoots gelegenheid elkaar te ontmoeten.

Ds Aart is dadelijk te vinden achter de preekstoel in de hoek bij de kandelaar. Daar kunt u hem de hand drukken. Ga gerust eerst wat drinken in het Oosterkoor als het daar te druk is.

 


website van Aart C. Veldhuizen, www.aartveldhuizen.nl


Cookies helpen ons onze services te leveren. Door onze services te gebruiken, geeft u aan akkoord te gaan met ons gebruik van cookies. OK